Over de bergen en terug naar het hoge land

Na weken van vlakte en makkelijk trappen zien we eindelijk weer heuvels. Voorbij het Poolse Lublin begint het en hoe dichter we bij de grens met Slowakije komen hoe hoger de heuvels worden. Het zijn een van de meest magische momenten van onze reis: de keren dat we voor het eerst de bergen zien. We verheugen ons erop en we weten dat ze eraan komen maar we weten niet precies wanneer. En als we dan voor het eerst een glimp opvangen van een heuvel of berg, roepen we het uit, lachen we naar elkaar en beginnen we harder te fietsen. Het is eigenlijk maar raar hoe dat bij ons werkt: hoe zwaarder het wordt; hoe mooier het is. Maar het gaat niet alleen om de lichamelijke uitdaging. De aantrekkingskracht van de bergen ligt voor ons vooral in de rust en de natuur. Het onherbergzame gebied zorgt ervoor - zoals het woord al aangeeft - dat er over het algemeen minder mensen wonen. Er is meer natuur; meer bos; meer stilte; het weer is extremer en de mensen die er wonen lachen meer.

Via een verlaten grensweggetje fietsen we Slowakije binnen: land nummero #31. We moeten voor het eerst echt weer klimmen en dat voelt en is zwaar maar we zitten met een glimlach op de fiets.

Wat ons opvalt in Slowakije zijn de vele zigeuners. We zijn in Midden-Europa maar we zien meer donkere dan blanke mensen op straat. Door de trek naar de stad van de lokale bevolking loopt het platteland leeg terwijl de Roma zigeuners blijven. We fietsen langs naargeestige dorpjes van verlaten huizen en houten hutjes. Als we boodschappen doen, zien we Roma ouders met veel kinderen in versleten kleding en op slippers. Jongens van onze leeftijd staan langs de weg met mandjes vol paddenstoelen. De meeste mensen die we tegenkomen op de fiets groeten we - zo ook de zigeuners - maar we merken aan de afwezige of ingetogen reactie dat ze dit niet gewend zijn. Het is een gevolg van het trieste feit dat de zigeuners in Slowakije al decennialang worden genegeerd en aan hun lot worden overgelaten.

“De miezermelancholie is voorbij en we zetten de sokken erin om zo snel mogelijk een van die mooie bergen te kunnen beklimmen.”

Het is begin september en het regent al een paar dagen in Slowakije. Het is altijd lastig om in de regen de heuvels op te rijden want wat doe je aan? Laat je, je natregenen met de kans dat je straks staat te soppen in je schoenen of doe je een regenbroek aan zodat het binnenin je broek begint te regenen? Het is een dilemma want waar je ook voor kiest; het is beide onaangenaam. Na een tweetal dagen rijden in de regen breekt de zon door en zien we voor het eerst de écht hoge bergen. Voor ons torent een piek van de hoge Tatra omhoog. De miezermelancholie is voorbij en we zetten de sokken erin om zo snel mogelijk een van die mooie bergen te kunnen beklimmen.

We zetten onze tent neer op de Rijo camping aan de voet van de bergen in Stara Lesna. Het is voor het eerst in ruim een jaar dat we kamperen op een camping en in eerste instantie bevalt het ons niet. We lopen wel drie rondjes over de camping om een plek uit te zoeken voor de tent - te schuin, te nat, te dichtbij die caravan - en ‘s avonds houden stemmen en dichtklappende autodeuren ons uit onze slaap. Maar aan de andere kant kunnen we langer dan de gebruikelijke minuut douchen een hoeven we niet elke dag op zoek naar een slaapplek waardoor we er na een paar dagen toch van gaan genieten.

Vanaf de camping kunnen we makkelijk de bergen in lopen en hebben we een plek om onze spullen achter te laten maar er is ook nog een andere reden waarom we onze tent niet gewoon op een plekje in het uitgestrekte bos zetten: er leven beren in de Tatra. De afgelopen jaren kwamen de uit hun winterslaap ontwaakte beren de dorpen in op zoek naar voedsel. Toen de beren overdag over straat liepen werd het probleem zo groot dat de burgemeester de noodtoestand uitriep. Voor zover wij weten zijn er gelukkig geen mensen slachtoffer geworden van berengeweld maar wij wilden niet het risico lopen om als eerste die dubieuze eer te ontvangen en dus kampeerden wij op de camping.

Vanaf de camping lopen we de bergen in en terug. Al gauw merken we dat fietsen een hele andere beweging is dan (berg)wandelen en na één dag hiken, lopen we krom van de spierpijn. Na drie dagen bergen beklimmen stappen we uitgeput weer op de fiets maar de mooie uitzichten waren het meer dan waard.

Vanaf de hoge Tatra zetten we koers richting Bratislava. Na een paar zonnige en warme dagen wordt het fris in Slowakije. Toen we eenmaal in Europa waren, dachten we dat het over was met het maken van kampvuren; te veel mensen en te illegaal. Maar in Slowakije vinden we meerdere dagen achtereen een kampeerplaats waar we veilig en verscholen een mooi vuur kunnen maken. We maken ‘s avonds een vuur en we maken ‘s ochtends vuur; omdat het gezellig is maar ook om de praktische reden om onszelf warm te houden. Als we vlak voor Bratislava de Donau bereiken, vinden we een kampeerplek inclusief een vuurplaats, hout en een grillrooster. ‘s Avonds kan Martijn zich aan het vuur warmen na een verfrissende duik in de Donau en de volgende ochtend roosteren we ons oude brood met gebruik van de grill.

Via Bratislava volgen we de Donau naar Oostenrijk en Wenen. Daar ontmoeten we precies op de afgesproken tijd de ouders en broer van Martijn. Samen vergapen we ons aan de grandeur van een stad die eeuwenlang het centrum was van een enorm Europees rijk. In de Hofburg bewonderen we de Prunksaal die wordt gerekend tot de mooiste bibliotheken ter wereld. In het paleis van de prins van Savoye die Wenen en de Oostenrijkers beschermde tegen het beleg van de Ottomanen, bekijken we werken van Klimt en zien we hoe Napoleon op een steigerend paard de Zwitserse Alpen doorkruist. We drinken koffie bij Demel en halen een worst bij Zum Scharfen Renee. Het is heerlijk om te genieten van de stad en van elkaar.

‘Zo slapen we onderweg onder meer in een caravan, een bouwkeet en een alpenhutje.’

Na een paar leuke dagen is het tijd om afscheid te nemen en stappen we weer op de fiets. Het is inmiddels vast wel duidelijk dat wij van de bergen houden en dus het zal het waarschijnlijk niemand verbazen dat we niet de Donau volgen richting Duitsland maar dwars door de Alpen westwaarts fietsen. Dit is alleen niet de snelste weg naar huis en het weer wordt kouder en natter. Gelukkig zijn ze ook in Oostenrijk gastvrij en zo slapen we onderweg onder meer in een caravan, een bouwkeet en een alpenhutje. In Mürzzuschlag fietsen we samen met onze warmshowergastheer een naburige berg op. Op de top van de berg schrijven we in het ‘Gipfelbuch’ dat we van Groningen naar China zijn gefietst en teruggaan over de Hohe Scheibe.

Het fietsen door de Alpen is als een droom. Op een paar dagen na hebben we prachtig weer en staat de zon hoog aan de blauwe hemel. Vanaf de fiets kijken we omhoog naar de bergen en vragen we ons af waarom de mensen daar boerderijen hebben gebouwd. Van de dalen in Stiermarken rijden we langs de meren van Karinthië omhoog naar Ost-Tirol. In het Lesachtal dichtbij de grens met Italië klimmen we voor het eerst weer tot boven de kilometer. Als we ’s avonds in het dal geen slaapplek kunnen vinden, bellen we aan bij boeren. De eerste twee boeren verwijzen ons naar een duur hotel maar drie keer is scheepsrecht en zo belanden we uiteindelijk bij een geitenboer in de tuin. De volgende ochtend worden we uitgenodigd voor Frühstück en krijgen we een rondleiding door het eeuwenoude familiehuis. Vroeger toen de mensen nog met paarden of te voet reisden, diende het huis als een gasthuis. Tijdens de rondleiding herinnert de Frau des huizes ineens het gastenboek en uit een antieke kast haalt ze een oud, verkleurd en verschrompelt boek tevoorschijn. Vroeger werd van alle gasten genoteerd waar ze vandaan kwamen, waar ze naar toe gingen, op welke manier ze reisden en wat voor beroep ze uitoefenden. De laatste gast in het boek bezocht het gasthuis in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Maar dan bedenkt de Fraulein zich ineens: ‘we kunnen het gastboek nieuw leven inblazen! Jullie zijn immers na een hiaat van een halve eeuw onze nieuwe gasten’. En zo schrijven wij ook in dit boek dat we per fiets van Nederland via China naar het Lesachtal zijn gereisd en als gast hebben genoten van de gastvrijheid van het Gasthof in Mattling.

Na de gezellige ochtend stappen we pas laat op de fiets. We moeten een stuk omfietsen vanwege een omleiding; eerst rijden we naar beneden om daar de rivier over te steken naar de andere kant van het dal; dan klimmen we weer omhoog naar de hoger gelegen weg; vervolgens dalen we weer af en steken we weer de rivier over om daarna weer omhoog te klimmen naar het niveau van waar we begonnen (en dat alles met een 40+ kg zware fiets). Hemelsbreed zijn we nog geen kilometer opgeschoten maar het heeft ons meer dan anderhalf uur gekost. En we zijn nog lang niet op de top. We klimmen die dag meer dan 1000 meter en het lukt ons niet om het dal uit te fietsen. Als we zien dat er veel regen is voorspeld en moeite hebben om een kampeerplek te vinden, kloppen we weer aan bij een boer. Ditmaal is in één keer raak, én hoe; als wij vragen of de boer een plekje over heeft in zijn schuur denkt hij even na en dan wijst hij omhoog naar de berg. “Zie je dat hutje daar? Jullie mogen daarin slapen als jullie willen.” We zijn opgelucht en verheugd en beginnen aan het steile klimmetje naar boven. Als we buiten adem boven komen worden we begroet door twee bergmarmotten en de boer. De boer heeft al een fles Schnaps voor ons op tafel gezet en wenst ons alvast een goede nacht. Dan rent hij snel langs de steile berg naar beneden om het gemaaide gras op de Wiese binnen te halen voor de bui. Met een beker schnaps staan we op de veranda en proberen we te beseffen waar we nu weer zijn beland. Recht voor ons rijzen de bergen van de Karnische kam omhoog. Als we naar beneden kijken zien we de bron van de rivier de Gail. ‘s Avonds is het hutje bedekt onder een laag wolken en we vallen in slaap terwijl de regen tikt op het dak.

Vanuit het Pusterdal fietsen we verder richting Südtirol. Na het dorpje Sillian steken we officieel de grens over van Oostenrijk naar Italië maar cultureel gezien verandert er weinig. In de dorpen staan nog steeds grote familiehuizen met bloeiende geraniums op het balkon en op straat wordt voornamelijk Duits gesproken. Bijna 6 eeuwen(!) lang behoorde Südtirol tot de Habsburgers en daarmee tot Oostenrijk. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het gebied als een worst voorgehouden aan Mussolini; als hij zou overlopen naar de geallieerden zou Italië bij winst van de oorlog het bergengebied mogen annexeren. Mussolini hield wel van worst of koos eieren voor zijn geld - het is maar hoe je het ziet - en bij de vrede van Versailles in 1919 werd Südtirol toegewezen tot Italië. De nieuwe grens tussen de landen kwam te liggen bij de bergkam van de Brenner en net zoals veel andere volkeren woonden een heel aantal Duitsers op de een van de andere dag in een ander land.

Samen met Warmshower gastheer Peter gaan we wandelen in de Sextener Dolomieten. We hebben op deze reis de nodige bergen gezien maar dit zijn misschien wel de allermooiste. We beginnen de wandeling tussen de groengele lariksen en eindigen hoog tussen de rotsige pieken. We wandelen en klimmen 20km en stijgen meer dan 2000m. Bovenop de Schusterplatte hebben we uitzicht over een aardig deel van de Alpen. Het geheel maakt nog meer indruk als je bedenkt dat tijdens de Eerste Wereldoorlog - nadat Italië van kant was gewisseld - deze bergen dienden als strijdtoneel.

‘Als we de Brenner op beuken regent het pijpenstelen.’

We twijfelen hoe we verder gaan. Naar Cortina D’ampezzo, dwars door de Dolomieten en over de Reschenpas terug naar Oostenrijk? Of, iets sneller en makkelijker, via de Brennerpas naar Innsbruck? Onze voorkeur gaat uit naar de eerstgenoemde optie maar de (slechte) weersvoorspellingen dwingen ons uiteindelijk tot de tweede. Via pittoreske plaatsjes als Bruneck en Sterzling fietsen we terug naar de Tiroler Alpen. Als we de Brenner op beuken regent het pijpenstelen. Aan de Italiaanse kant is een mooi fietspad aangelegd over een oude spoorlijn. Vanaf de verte zien we een file van vrachtwagens op een metershoge autobahn. Boven op de pas is het gelukkig droog en aan het eind van de dag dalen we af over de B-weg op zoek naar een kampeerplaats. Zoals bijna altijd is het lastig om een geschikte plek te vinden in een bergdal. Als het bijna donker is en we nog steeds niks hebben gevonden, bellen we weer aan bij een boer. De eerste twee zijn niet thuis maar - het gaat wederom op - drie keer is scheepsrecht en uiteindelijk staat onze tent warm en droog in een schuur. “Sie konnen auch im Heu schlaffen” zegt de boer met een glimlach. “Wie sie möchten.”

Vanaf Innsbruck nemen we een klein stukje de trein naar Feldkirch. Onze onafgebroken fietsroute vanaf Helsinki wordt daarmee verbroken maar het is vanwege de leuke reden dat we een vriendin gaan opzoeken in Switzerland. Maar voordat we naar het land met de hoogste bergen van Europa gaan, fietsen we eerst nog door een ander speciaal staatje, namelijk: Liechtenstein. Deze dwergenstaat is toch wel heel bijzonder. Het is een fossiel uit een tijd dat Europa nog bestond uit een lappendeken van steden en staten. Liechtenstein is 162 vierkante kilometer groot; nog kleiner dan de gemeente Groningen (197km2). In het hele vorstendom wonen ongeveer 35.000 Liechtensteiners en de ‘hoofdstad’ Vaduz zo’n 5000. Het land heeft geen leger en geen vliegveld; de vorst nodigt ieder jaar al zijn onderdanen uit voor een biertje in zijn tuin; en de dwergenstaat is ‘s werelds grootste producent van kunstgebitten. Het is maar dat u het weet.

‘Het mooie aan deze pas is dat er in het weekend geen auto’s overheen mogen en wij zijn zondagsrijders.’

We kamperen een nachtje in een schuur van aardige Liechtensteiners en vervolgen onze weg richting Zwitserland via de Rijn. Als we richting Glarus fietsen, zien we voor het eerst de besneeuwde rotsige pieken van de Zwitserse Alpen. Wederom twijfelen we: gaan we dwars door de hoge bergen over de Klaussenpass of nemen we de iets minder hoge, maar wel steile Pragelpass. We kiezen voor het laatste omdat er in deze tijd van het jaar wel eens sneeuw kan vallen boven de 2000 meter. De Pragelpass is een van de mooiste bergpassen die we op deze reis hebben gereden. We beginnen in de regen en de bergen rond de Klöntalersee zijn gehuld in wolken. Maar langzaamaan klaart het op en zien we flarden blauwe lucht en hoge rotsige pieken. We fietsen door bossen met goudkleurige beuken en over groene Wiesen met grazende koeien. In een klein bergdorpje slingeren boeren met een soort open giertank op wielen stront in het rond. Sommige stukken gaan met 18% procent omhoog maar de grimas verandert snel in een glimlach. Het mooie aan deze pas is dat er in het weekend geen auto’s overheen mogen en wij zijn zondagsrijders. Als we aan het eind van de dag een boerin vragen om een plekje begrijpen we er in eerste instantie helemaal niks van; wat voor taal spreken de mensen hier? Maar na paar keer onbegrijpend knikken verstaan we toch een paar woorden en begrijpen we dat het geen probleem is dat als we hier een nachtje logeren. Voldaan vallen we in slaap met het geluid van koeien en hun Glocken.

Van Muotathal fietsen we via de Vierwaldstättersee naar Luzern. Dikke villa’s, groene weides, dure hotels en snelle auto’s; hier leeft de elite het goede leven. In Luzern zien we naast een oude en tegelijk nieuwe houten brug ook veel Aziaten. Dichtbij Neudorf ontmoeten we collega-fietsers Andy en Aline die we eerder zijn tegengekomen in Armenië en later nog een keer in Thailand. In hun zelfvoorzienende huisje op het Zwitserse platteland eten we raclette en praten we tot diep in de nacht over tenten, over wat je eet in centraal Azië, over zadelplein en over nog heel veel meer.

Na twee gezellige dagen is het weer tijd om verder te gaan. We fietsen weg op een druilerige ochtend. Het landschap is bedolven onder een dikke deken van mist. De wereld is stil en klein. Het weer past bij onze gemoedsstelling: versuft en nog niet helemaal wakker. De bergen aan de horizon zijn verdwenen en het enige dat we horen zijn de Glocken van grazende koeien in verte.

’s Avonds vinden een plekje bij de boer op het land en als we de volgende ochtend de tent weer hebben ingepakt begint de zon te schijnen. We fietsen van het kanton Luzern naar het zuidwesten richting het Berner Oberland. Onderweg rijden we door een landschap met groene dalen en rotsige pieken. Koeien grazen in de wei en aan de balkons van de veelal houten boerderijen hangen geraniums in alle kleuren. Als het begint te schemeren komen we aan op onze bestemming: Thun. We maken een rondje door het prachtig bewaarde historische centrum en fietsen dan verder naar vriendin Moniek die ook uit Groningen komt maar is verhuisd naar dit prachtige plekje.

Bij Moniek blijven we ruim twee weken waarin we vier blogs schrijven. Naast het schrijven en bewerken van foto’s maken we ook tijd om te wandelen. In het weekend gaan we samen met de rugzak erop uit. We hebben geluk want het zijn de laatste mooie dagen van oktober. Als we bij Adelboden de berg oplopen, staat de zon hoog aan de felblauwe hemel. Aan het eind van de dag bereiken we de piek van de Bunderspitz. Vanaf dit punt hebben we een prachtig uitzicht over de rotsige pieken van de Zwitserse Alpen. Moniek somt voor ons op: ‘de Eiger, Jungfrau, Mönch, Schwarzhorn, Firehorn, Nesthorn.’ Dan gaat de zon gaat onder en kleurt de lucht rood. We zoeken snel een plekje voor de tent. Ongeveer 50 meter onder de top vinden we een stuk vlakke grond dat een beetje in een kommetje ligt en daardoor goed beschut is tegen de wind. De zon is nu onder en het wordt snel koud. We zetten de tent op en eten binnen ons eten op. Daarna gaan we nog even naar buiten om onze tanden te poetsen en te genieten van de eindeloze sterrenhemel. Wat leuk is, is dat wij op onze reis bij heel veel mensen te gast mochten zijn, maar dat wij nu iemand bij ons ‘thuis’ kunnen uitnodigen. Wij zijn bij Moniek te gast maar vanavond is Moniek bij ons te gast!

Ondanks dat het gezellig is met M&M&M in de tent heeft alleen Mariëlle – die in het midden ligt – het warm genoeg die nacht. Maar ook al hebben we niet zoveel geslapen; het uitzicht op de bergen als de zon de volgende ochtend langzaam opkomt, doet alle vermoeidheid als sneeuw voor de zon verdwijnen. Op de berghelling even verderop zien we een gems lopen. We wachten tot de zonnestralen ook ons en de tent raken en ruimen dan de spullen op. Op de weg richting Kandersteg is het heerlijk stil. Het is rustig weer; er is geen ziel te bekennen en zelfs de marmotten fluiten niet naar de mooie blonde dames. Als we bij Kandersteg zijn aangekomen wandelen we verder naar de Oeschinensee. Het is een populaire wandeling en we lopen met veel mensen vanuit allerlei verschillende landen over een geasfalteerde weg richting het meer. Eenmaal bij het meer begrijpen we waarom de plek toeristisch is; het is als een droom zo mooi. Vanuit het azuurblauwe water torent een majestueuze bergwand omhoog waarvan de top is bedekt met een laagje poedersneeuw. Aan de rand van het meer staan gifgroene sparren en lariksen die in verschillende tinten geel en oranje verkleuren. Het water is kraakhelder en het mooiste is misschien nog wel dat deze hele orgie van kleuren en vormen wordt weerspiegelt in het rimpelloze wateroppervlak.

Na twee weken van veel schrijven en een paar prachtige wandelingen komt de tijd om echt op huis aan te gaan. Tot op dit moment hebben we in Europa eigenlijk alleen maar omgefietst. Eerst in zuidelijke richting naar de Tatra en naar Wenen. Daarna van Wenen nog verder naar het Zuiden via Sud-Tirol, omhoog via de Brenner om daarna weer naar het zuiden af te zakken naar het Berner Oberland. Over het algemeen hebben we in het najaar erg geluk gehad met het weer. Vooral in oktober hebben we veel warme en zonnige dagen gehad. Maar in deze laatste twee weken in Zwitserland is het weer omgeslagen. Op de twee zonnige wandeldagen na heeft het bijna alleen maar geregend. We zouden bijna vergeten dat we ons een in prachtig gebied bevinden met aan de horizon de Zwitserse vierduizenders omdat ze bijna elke dag zijn bedolven over een dikke laag wolken. Het is nu echt definitief; we gaan naar huis. En niet meer met veel omwegen; nee gewoon in een redelijk rechte lijn. Dat is – vooral voor Martijn – wel even wennen.

Als we wegfietsen richting het noorden kijken we geregeld achterom. Nog een laatste blik op de hoge bergen. We gaan ze missen: de uitdaging van het omhoog trappen tegen een helling; de diversiteit van het uitzicht waarbij achter elke piek weer andere bergen tevoorschijn komen; de mensen in de bergen die veelal nog traditioneel leven en vaker lachen dan mensen in de stad; en bovenal de rust van geen verkeer, geen mensenmassa’s, geen winkels maar fluitende marmotten en zwevende roofvogels. En dan, als we nog een laatste keer achteromkijken, zijn ze weg.

We fietsen Bern in. De hoofdstad van Zwitserland verrast ons. Het is een heel gemoedelijke stad met een mooie ligging en goed bewaarde gebouwen. In Bern wonen iets meer dan 120.000 mensen (vergelijk Amsterdam met 860.000). Het oude stadscentrum is gebouwd op een hoger gelegen stuk grond in de bocht van de rivier de Aare waardoor het water voor een groot deel rondom de stad heen kronkelt. Wat ons vooral positief verrast is de relatieve rust die wij in het centrum aantreffen. Als we naar steden gaan denken we vaak aan Groningen waar sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw al (bijna) geen auto’s meer rijden in het centrum en sinds ongeveer een jaar geleden zelfs ook geen bussen meer. Het Groningse stadscentrum is van de fietsers en de wandelaars. We zijn zoiets op deze reis nog niet eerder tegen gekomen maar het lijkt erop dat dit in Bern ook zo is geregeld. In het oude stadscentrum zien wij geen auto’s rijden en is het rustig met het verkeer. De vergelijking zou helemaal opgaan als er net als in Bern ook in Groningen een tram door het centrum gaat rijden maar op de vraag of dat er ooit nog van komt durft volgens mij niemand meer een antwoord op te geven.

‘Het is een heel gedoe. In eerste instantie denken we dat het onmogelijk is, totdat Mariëlle opeens naar beneden dondert en - gelukkig zonder verwondingen - binnen weet te komen.’

Vanaf Bern fietsen we verder naar Bazel. Onderweg logeren we bij een gastheer via Warmshowers die we ’s avonds op zijn terugweg naar huis tegenkomen in zijn gele banaan. Hij heeft de ligfiets gekocht in Nederland en fietst elke dag meer dan 40 kilometer heen en terug (dus meer dan 80 kilometer per dag) van zijn huis naar zijn werk in Bern. Als we dat horen kijken we elkaar en zeggen we tegen hem: ‘wij zijn blij als we op een dag meer dan 80 kilometer fietsen maar jij maakt daarnaast ook nog een 8 uur durende werkdag’. Als onze gastheer de volgende dag alweer in alle vroegte is vertrokken naar zijn werk en als wij de fietsen willen pakken om ook op te stappen, komen we erachter dat de garage – waar onze fietsen in staan – op slot zit. We hebben het er gisteren nog over gehad en onze gastheer verzekerde dat hij ’s ochtends de garagedeur zou openlaten maar hij is dat blijkbaar in alle vroegte – en heel begrijpelijk – vergeten. We appen hem om te vragen of hij misschien ergens een extra sleutel heeft, maar dat heeft hij helaas niet. Hij zegt dat hij terug wil fietsen om de deur open te doen maar hij is al bijna in Bern. Als hij nu terug moet fietsen naar huis en daarna weer naar zijn werk dan kan hij, als hij eenmaal op zijn werk is, ook direct weer naar huis fietsen, dus dat heeft geen zin. Wij zeggen dat hij niet naar huis hoeft te fietsen en dat we – als dat wat hem betreft oké is – wel nog een nachtje kunnen blijven. Maar dan zegt hij dat er misschien nog een andere mogelijkheid is: we kunnen ook proberen in te breken door het kleine raampje aan de achterkant van de garage. We gaan kijken en pakken een tuinstoel om bij het raampje te komen. Het is een klein raampje en Mariëlle moet het maar gaan proberen. Het is een heel gedoe. In eerste instantie denken we dat het onmogelijk is, totdat Mariëlle opeens naar beneden dondert en - gelukkig zonder verwondingen - binnen weet te komen. En zo zijn onze fietsen bevrijd, kan onze gastheer in zijn banaan Bern in rijden en zijn wij weer een mooi verhaal rijker.

We fietsen verder via het Naturpark Thal richting Bazel. In Bazel bewonderen we de oude binnenstad, proeven we heerlijke wijnen uit de regio en eten we samen met onze Warmshower gastheer en -vrouw kaasfondue waarbij we het brood eerst even in en glaasje met kirsch dompelen voor de optimale ‘verdauerung’. Van Bazel trappen we 100 kilometer via Neuf Brisach (zeg maar het Bourtanghe van de Vogezen) naar Colmar vanwaar we beginnen aan de ‘Route du vin’. De fietsroute langs de Vogezen leidt ons door velden met wijnranken en pittoreske dorpjes met schilderachtige vakwerken huisjes in allerlei kleuren. Het is fraai fietsen zo tussen de wijnvelden; prachtige uitzichten en goed onderhouden wegen met minimale stijgingen. Maar in een andere tijd van het jaar moet het nog mooier zijn. Het is deze dagen bewolkt; de lucht ziet grijs; het is waterkoud zodat voornamelijk onze tenen bevriezen en de wijnranken hebben hun bladeren al laten vallen. Het seizoen is voorbij maar daardoor is het natuurlijk wel lekker rustig.

Na de Vogezen volgen we de rivier de Saar richting Duitsland. Langs de rivier fietsen we vlak en we trappen een paar dagen achter elkaar rond de 100 kilometer per dag. Het is ons de afgelopen dagen telkens gelukt om een Warmshower adres te regelen maar in het dunbevolkte gebied in de buurt van de grens tussen Frankrijk en Duitsland kunnen we geen gastheer of -vrouw vinden. Twee nachten achter elkaar zetten we noodgedwongen de tent op in een bos. De eerste keer kunnen we een vuur maken en hebben we het ’s avonds lekker warm. Als we de volgende ochtend het spul weer opruimen is de tent nog kletsnat. Het probleem in deze tijd van het jaar is dat het lastig is de tent overdag te drogen. Omdat we liever niet in een kletsnatte tent buiten willen slapen, proberen we aan het eind van de dag een plekje te vinden waar we onder een dak kunnen overnachten. In de buurt van Sarregemuines gaan we op zoek naar een boer met een schuur maar in dit gebied zijn geen boeren te bekennen. En ook als we bij een paar huizen aanbellen met de vraag naar een slaapplek of een (goedkoop) hotel kunnen de Fransen ons niet verder helpen. Moegestreden zetten we uiteindelijk in het donker de tent op in een bos naast het dorp. We koken ons potje en duiken onze slaapzakken in. Mariëlle stuurt in de tent nog een paar berichten via Warmshowers. Na twee nachten buiten kamperen hebben we behoefte aan een beetje warmte en een plek om onze spullen te drogen. Hopelijk vinden we morgen wél wat...

Tot onze vreugde hebben we de volgende ochtend een berichtje via Warmshowers van Mahdi waarin hij schrijft dat we van harte welkom zijn. Opgelucht stappen we op de fiets en zetten koers richting Sarrelouis. Als we aankomen bij het opgegeven adres staat Mahdi ons al op te wachten. Een man met een vriendelijk gezicht en licht getinte huidskleur geeft ons een hand. Hij helpt ons met onze bagage en als we zijn woning betreden excuseert hij zich voor het gebrek aan ruimte. ‘Het is misschien klein maar ik deel het graag met jullie’. We lopen door de gemeenschappelijke keuken naar zijn woning. Het is een kamer van ongeveer 10 vierkante meter. Op de grond liggen twee tapijtjes. In de hoek van de kamer staat een bed met daarboven een balk aan de muur met een heleboel knuffels. De rest van de inrichting bestaat uit een koelkast, een bank, een tafel en een stoel. Mahdi vraagt of we thee willen en we nemen plaats op de bank. Een gedenkwaardig gesprek volgt.

Als we vragen of Mahdi ook Turks spreekt omdat dat op zijn Warmshowerpagina staat, vertelt hij dat hij uit het Noordoosten van Iran komt waar ook Turks wordt gesproken. Om precies te zijn komt Mahdi uit de stad Tabriz en daar zijn wij op deze reis ook doorheen gekomen. Samen praten we over de bazaar van Tabriz (de grootste ter wereld nadat de bazaar van Aleppo door de oorlog in Syrië werd verwoest); we praten over dadels en kebab; over gastvrijheid van Iraniërs en over de moeizame politieke situatie. We laten de foto’s zien die wij hebben genomen toen we in Tabriz waren en Mahdi bekijkt ze belangstellend maar ook een beetje weemoedig. Mahdi vertelt dat hij geen moslim is maar christen. Hij is geboren en getogen in de Tabriz in het gebied dat ook wel Iraans Azerbeidzjan wordt genoemd. Het is een ingewikkelde regio hebben we geleerd op deze reis. Armenië en Azerbeidzjan zijn officieel in oorlog met elkaar over het gebied Nagorno Karabach; Turkije en Armenië staan al jaren op de voet van oorlog; Rusland en Georgië hebben net een oorlog achter de rug maar de Russische grens verschuift nog steeds langzaam naar het zuiden; en in Iraans Azerbeidzjan zijn er mensen die pleiten voor meer autonomie, een eigen staat of een vereniging met de Republiek Azerbeidzjan.

Mahdi vertelt ons dat hij in Iran heeft gewerkt als metaalbewerker maar dat hij van de een op de andere dag werd ontslagen. Toen hij vervolgens een klein juwelenwinkeltje in de bazaar begon, kreeg hij al snel brieven van de Iraanse belastingdienst met torenhoge (niet correcte) rekeningen waardoor het winkeltje niet lang heeft bestaan en hij weer werkloos was. Intussen hoorde hij steeds meer berichten over verdwijningen en politiekgemotiveerde moorden waardoor hij begon te vrezen voor zijn eigen leven. Voor Mahdi was er geen andere uitweg meer dan te vluchten. Zijn vrouw en twee kinderen bleven achter in Iran.

Mahdi vertelt dat hij snel een tas en wat spullen bij elkaar heeft raapt zoals kleren, een kookstelletje, een hoofdlamp en wat toiletartikelen. Hij huurt een auto en rijdt via Turkije naar Bulgarije waar hij bij een controle door de politie wordt opgepakt en naar de gevangenis wordt gebracht. Na één maand in de gevangenis te hebben gezeten wordt hij overgebracht naar een vluchtelingenkamp. Vanuit het kamp stuurt hij een verzoek voor een verblijfsvergunning dat wordt afgewezen. Volgens de autoriteiten moet Mahdi weer terug naar Iran maar dat kan volgens hem niet omdat er daar naar hem wordt gezocht. Op een nacht steekt hij in een verlaten bos de Bulgaars-Servische grens over. In Servië koopt hij valse papieren, huurt een auto en wil naar Engeland rijden. Bij de Servisch-Hongaarse grens wordt hij aangehouden. De douanebeambten hebben speciale apparatuur om te bepalen of de documenten echt zijn en na de controle wordt er een andere man bij geroepen. Mahdi denkt ‘nu is het gebeurd’, maar de man vertelt dat ze zijn auto willen doorzoeken. Na een uur bij de douane die voor Mahdi een eeuwigheid lijkt te duren, mag hij uiteindelijk doorrijden. Hij rijdt verder naar Oost-Duitsland en meldt zich daar bij de immigratiedienst. Een interview van 6 uur volgt waarin hij de hele situatie moet uitleggen. De Duitse autoriteiten volgen de procedure en nemen contact op met het land waar Mahdi de Europese Unie is ingekomen en dat is Bulgarije. Zijn advocaat vertelt hem dat hij op dit moment niet veel voor hem kan doen, dat het een 50/50 kans is op een verblijfsvergunning en dat hij moet afwachten. Maar Mahdi wil niet afwachten en het van het lot laten afhangen en gaat naar de kerk om met de pastoor te praten. Hij legt het hele verhaal uit aan de pastoor en de pastoor biedt hem een kamer aan en belooft een brief naar het Bundesambt te sturen. Na 3 maanden hoort Mahdi dat het (vooralsnog) geregeld is en dat hij (zo heeft de computer besloten) naar een vluchtelingenkamp in het Saarland moet. Daar deelt hij nog 16 maanden een kamer met 4 anderen voordat hij de kleine woning krijgt toegewezen waar wij hem in november treffen.

Mahdi gaat elke ochtend naar Duitse les en werkt hard om de taal onder de knie te krijgen. Als wij hem ontmoeten is zijn examen over twee weken en als hij dat haalt kan hij gaan solliciteren voor een baan. Hij wil proberen om weer als metaalbewerker te gaan werken of hij wil als kapper aan de slag. Die avond zitten we warm en droog binnen en ondanks dat het soms moeilijke onderwerpen zijn kunnen we fijn met elkaar praten. Mahdi helpt ons met sleutelen aan de fietsen en samen koken we een heerlijke maaltijd van de producten die hij via de voedselbank heeft gekregen. Een deel van het eten bewaren we voor zijn buurman die hij elke dag een beetje eten brengt. Als we ’s avonds gaan slapen liggen we met z’n 3en op het kamertje van 10m2: Mahdi in zijn eigen bed, Mariëlle op de bank en Martijn op een matje op de grond. De fietsen, tafel en stoelen staan in de keuken en op het bureau in het kamertje staat een wasrek met onze was te drogen.

De volgende ochtend staan we vroeg op omdat Mahdi weer naar Duitse les moet. We nemen afscheid van elkaar en bedanken hem voor zijn ongelofelijke gastvrijheid en wensen hem succes met de Duitse les, met een nieuwe baan zoeken, met het integreren, eigenlijk met alles. En bovendien, zeggen we, hopen wij dat hij snel wordt herenigd met zijn vrouw en kinderen die hij al meer dan 2 jaar niet heeft gezien. Als Mahdi weg is schrijven we een kaartje voor hem laten we een beetje geld achter; voor een nieuwe knuffel op de plank voor zijn kinderen.

We fietsen verder naar Trier waar we de oude Romeinse stad bekijken. Van Trier trappen we door naar Luxemburg. Het is koud en nat. Eigenlijk sinds we vanaf Switzerland weer op de fiets zitten is het bewolkt, koud en soms nat. Dat het bewolkt is, is niet zo erg. Dat het koud is, is ook niet zo erg mits we in beweging zijn. Maar als we even stil staan; omdat we bijvoorbeeld moeten eten; dan verkleumen we heel snel, ook al doen we nog zoveel kleren aan. Soms eten we onze broodjes op terwijl we rondjes lopen of op en neer springen; soms blijven we in de supermarkt staan om te eten. En als we daarna weer op de fiets stappen en 10 minuten trappen hebben we het al snel veel te warm en moeten we weer wat kledingstukken uit doen. Maar afgezien van onze verkleedpartijen is er één zekerheid: we hebben altijd koude tenen.

Als we aan het einde van een regenachtige dag in Luxemburg aan het overleggen zijn waar we die avond moeten gaan slapen, komt er een man met een hond langs gelopen. We raken aan de praat en als de man hoort dat wij nog geen slaapplek hebben nodigt hij ons direct uit. We lopen met hem mee en komen aan bij een kast van een huis in een klein dorpje nabij Vianden. Als we via de dubbele garage naar binnen gaan zien we 4 auto’s en een motor staan: een Mercedes SL, een oude mini, een BMW-toermotor, een Corvette met meer dan 500pk en een verlengde Range Rover special customized edition nog wat. De man – Jacques genaamd – vertelt dat hij als bankier in Luxemburg stad werkt. Jacques heeft zojuist een villa in Zuid-Frankrijk gekocht en hij laat ons vol trots de foto’s zien: ‘hier is het zwembad. Daar de dubbele garage voor alle auto’s. Ja, dat was wel moeilijk om zo’n huis met een dubbele garage te vinden’. Die avond eten we gezellig met elkaar en ’s avonds liggen we in een eigen slaapkamer op een echt bed te luisteren naar de regendruppels die op het dak kletteren. Het is toch wel heel bijzonder wat voor verschillende mensen we tegenkomen; van een Iraanse vluchteling tot een Luxemburgse bankier en ze zijn allemaal gastvrij.

Als we de volgende dag weer op de fiets stappen regent het nog steeds en volgens de voorspelling wordt het ook niet gauw droog. Daarbij komt dat het koud is – zo rond het vriespunt – waarbij de kans bestaat dat de regen verandert in sneeuw. Geen goede omstandigheden om te fietsen maar we willen niet meer te lang wachten om naar huis te gaan en bovendien hebben we voor die avond een Warmshower adres in het laatste stukje van de Ardennen nabij Sankt Veit. En dus doen we onze regenkleding en waterdichte sokken aan en zetten we ons beste beentje voor. De weg gaat op en neer waardoor we van buiten (regen) en binnen (zweet) nat worden. We fietsen van Luxemburg, naar Duitsland, naar België. Naarmate we verder de Ardennen in fietsen en steeds hoger komen, verandert de regen in sneeuw. Eerst zijn het een paar onschuldige vlokjes en zijn we blij omdat we daar minder nat door worden. Maar al snel gaat het harder sneeuwen en veranderen de onschuldige vlokjes in natte, grote vlokken ijs. Terwijl wij stug doortrappen zien we de ene na de andere auto de berm inglijden – we tellen er uiteindelijk meer dan 10. Het maakt ons een beetje bang omdat wij liever niet geschept willen worden door een auto die uit de bocht glijdt. Ondertussen maakt de sneeuw en tegenwind het onmogelijk om lang vooruit te kijken omdat de sneeuwvlokken in onze ogen waaien. Als Mariëlle even moet stoppen om haar neus te snuiten en Martijn dat niet door heeft, knallen we hard op elkaar. Scheldend rapen we de fiets op en duwen we de verbogen spatborden weer recht. Als we meer dan twee uur door de hevige sneeuw hebben geploeterd is alles nat; schoenen, sokken, shirt, sjaal en handschoenen. Het is inmiddels donker geworden en de hele reis duurt veel langer dan we van tevoren hadden bedacht. Eén probleem is dat onze telefoons telkens uitvallen door de kou en dat we daardoor niet meer kunnen navigeren. We moeten daardoor vaak een afdakje zoeken om vervolgens de telefoon weer aan te doen en te kijken waar we heen moeten. Een ander probleem is dat bij de fiets van Mariëlle tussen de wielen en spatborden blokken ijs ophopen waardoor uiteindelijk de wielen blokkeren. Mariëlle valt drie keer. Het laatste uur zit ze huilend op de fiets omdat ze zoveel pijn heeft in haar handen en voeten. Een paar keer staan we hopeloos langs de kant van de weg en twijfelen we om gewoon ergens aan te bellen en om hulp te vragen. Maar we zijn dichtbij ons Warmshoweradres en uiteindelijk lukt het – na een paar verkeerd fietsen – om het huis te bereiken. Gelukkig worden we ontvangen door een gastvrij en liefdevol echtpaar die precies weten wat we nodig hebben. Als onze telefoons zijn ontdooid en we ze weer aan kunnen zetten zien we zelfs dat ze ons nog een berichtje hebben gestuurd met de vraag of ze ons ook op konden komen halen. We leggen alle spullen te drogen en nemen eerst een warme douche. ’s Avonds zegt Mariëlle: ‘dit was een van de zwaarste dagen van de hele reis.’

Vanaf de Ardennen fietsen we over een besneeuwde Vennbahn naar Nederland. We stoppen even in Monschau om de mooie vakwerkhuisjes te bekijken en in Aken aanschouwen we de dom van Karel de Grote. Uiteindelijk fietsen we Nederland in bij Kerkrade. We zijn weer in ons thuisland na meer dan anderhalf jaar. We vragen ons af wat we erbij voelen of wat we moeten voelen. Of we emotioneel moeten zijn of blij? Als we later berichtjes krijgen van familie en vrienden die lucht hebben gekregen van onze terugkeer in Nederland dan wordt er vaak geschreven ‘dat, dat toch wel heel bijzonder moet zijn om weer terug in Nederland te zijn’. Als wij heel eerlijk zijn, was onze intrede in Nederland niet bijzonder, waren we niet bijzonder blij en misschien meer een beetje teleurgesteld. Het grootste deel van onze reis hebben wij doorgebracht in de natuur; op de fiets door de Poolse bossen; in een tentje in de Birmese jungle; met de benewagen de bergen in of met de fiets over de Mongoolse steppe. Toen wij Nederland in fietsten via Zuid-Limburg en van Kerkrade via een aaneenrijging van steden als Heerlen, Geleen en Sittard naar het Noordwesten reden, zagen wij voornamelijk wegen, auto’s, bebouwing en beton. We weten dat Zuid-Limburg ook heel mooi kan zijn en dat we misschien niet de beste route hebben gekozen maar dat kon op dat moment niet anders omdat we de snelste weg richting ons warmshoweradres moesten nemen. Er is in Nederland ook zeker veel mooie natuur te zien en toen wij eenmaal door de Brabantse bossen en over de Veluwe fietsten, zaten we alweer blij op de fiets. Maar, het is een feit: Nederland is een erg dichtbevolkt land en er is relatief gezien weinig natuur. Wij zijn op onze reis door 36 landen gekomen en alleen de dwergstaat Singapore heeft een hogere bevolkingsdichtheid dan Nederland.

In Nederland maken we een ronde langs familie en vrienden. We gaan op bezoek bij fietsers die we zijn tegengekomen op de reis; we maken kennis met nieuwgeboren familieleden en we omhelzen onze ouders en broers bij binnenkomst in Bolsward en Assen. Maar één ontmoeting is toch wel extra bijzonder.

Toen we anderhalf jaar geleden vertrokken, namen we afscheid van de negentigjarige Beppe (oma) van Mariëlle met het idee dat het wel eens het laatste afscheid kon zijn. Gedurende de reis hebben we veel kaartjes naar Beppe gestuurd en geregeld gepraat via Facetime. ‘Ik hoop heel erg dat Beppe het volhoudt’, zei Mariëlle vaak. Misschien zijn haar gebeden verhoord; zeker is dat Beppe een sterke vrouw is want zij heeft het gehaald (en wij ook).

Het is begin december en we fietsen via de Noordoostpolder Friesland binnen. Via Lemmer rijden we naar het dorpje Wijckel waar we stoppen bij de begraafplaats van de kerk. ‘Even bij pake op bezoek’, zegt Mariëlle. We fietsen verder naar Balk en het verzorgingshuis Talma Hiem. Binnen vragen we een zuster of ze ons willen helpen om Beppe te verassen. Ze vindt het een fantastisch idee en binnen no time staat er een team van 4 zusters om ons heen, klaar om te helpen. Terwijl wij met de fietsen om het verzorgingshuis heen lopen gaat er alvast een zuster naar Beppe om te vragen of ze zin heeft in een potje rummikub. Een andere zuster doet de achterdeur van het appartement open en een derde zuster zorgt dat alles wordt opgenomen op film. Als Beppe ons ziet lopen begint ze hard te zwaaien. En als Mariëlle en Beppe elkaar binnen omhelzen verzucht Beppe huilend: ‘eindelijk’.

Van de directrice hebben we toestemming om onze tent op te zetten in de tuin van het verzorgingshuis. Terwijl Mariëlle de tent opzet, houdt Beppe van achter het raam alles nauwlettend in de gaten. Van het verzorgingshuis krijgen we ’s avonds eten en als Beppe om zeven uur naar bed gaat, gaan wij nog even in de gemeenschappelijke ruimte wat lezen. En als wij rond een uur of half 11 ook naar bed gaan en in onze tent kruipen, doen we dat voor de laatste keer op deze reis. Meer dan 450 nachten hebben we op deze reis geslapen in de tent. Het was óns huisje dat we overal hebben meegenomen en overal hebben neergezet: in de Zwitserse bergen, in Thaise tempels, boven de 4000 meter in Tadzjikistan of in een boerenschuur op de Brennerpas. Het geeft een speciaal en ook een beetje weemoedig gevoel dat dit de laatste nacht in de tent tijdens onze reis is. Maar we gaan slapen met het idee – en dat is minstens zo speciaal – dat als we morgen wakker worden; we gaan ontbijten met Beppe.

Van Balk fietsen we via Bolsward naar Assen. Op 12 december rijden wij onze laatste etappe van Assen naar Groningen – een stuk dat we minstens 100 eerder keer hebben gefietst en op ons duimpje kennen - en eindigen wij onze reis op de plek waar die ook is begonnen: op het schoolplein van de Wegwijzer in Selwerd. Aldaar maken we bekend dat we 22.123 kilometer hebben gefietst en dat er maar liefst 545 fietsen voor kinderen uit minimagezinnen zijn gedoneerd. We houden een presentatie voor de hoogste klassen van de school en ‘s avonds zijn we te gast bij het televisieprogramma RTV Noord Vandaag waar live op TV een kinderfiets wordt gegeven aan een jongetje die in het ziekenhuis ligt en de fiets goed kan gebruiken.

Het gevoel dat bij ons overheerst dezer dagen is dankbaarheid. Wij zijn dankbaar aan iedereen die een fiets heeft gedoneerd of anderzijds aan de actie heeft meegewerkt. Wij zijn dankbaar aan iedereen die ons tijdens de reis een slaapplek, eten of anderzijds hulp heeft aangeboden. Wij zijn dankbaar dat we weer heelhuids thuis zijn aangekomen en wij zijn dankbaar dat we de mogelijkheid hebben gehad om op deze prachtige manier meer over de wereld te weten te komen. Als wij via onze reisverslagen één boodschap hebben willen meegeven dan is dat, dat we op een prachtige aarde leven met ontzettend gastvrije en lieve mensen. Laten we ons best doen om die aarde prachtig te houden en laten we uitgaan van het goede van de mens.

Een avontuurlijk en liefdevol 2020 toegewenst!

M&M

22123 km
Wie gaat er winnen?
Martijn en Mariëlle: 22123 km
Groningers: 0 km
We hebben al 609 kinderfietsen. Help ons er nog meer te halen!
Doneer een fiets