Helemaal tot in Tianjin!

Nihao, wij zijn in Tianjin! We hebben het gehaald. Van de Noordzee naar de Oost Chinese zee. Van het ene puntje van het Euraziatisch continent naar het andere puntje. Van fietsstad Groningen naar de Chinese partnersteden Xi’an en de fietsstad van China: Tianjin.

Voordat we vertellen over het laatste stuk door China hebben we een paar herinneringen aan de laatste 12 maanden achter elkaar gezet.

Onvergetelijk avonturen

Het dichttrekken van de deur en een regenachtige eerste etappe van Groningen naar Assen. De laatste omhelzing van familie en vrienden. Zadelpijn. De spanning tijdens de eerste keer wildkamperen. Fietsen over een oude spoorlijn in Sudtirol. Helblauw water van de Sloveense Soca. Het emotionele verhaal van een Kroatische vrouw over de oorlog in de jaren negentig. De Kroatische kuststeden steden waar je met een beetje fantasie de Romeinse galeien nog kunt zien aanmeren. De Montegrijnse gastheer die ons overlaadde met wodka (die wij na een paar glazen stiekem in onze bidon goten). Kamperen tussen de tabaksplantages. Turkse koffie en vijgen van een alleenstaande vrouw in Albanië. Agressieve wilde honden. Onstuimige onweersbuien. Griekse hitte en de zoutkringen op onze kleren. De oversteek per boot naar Turkije en het verschil in cultuur. De oproep tot het gebed (wel 5 keer per dag). Het escorte van de Turkse politie (incl. zwaailichten) naar een kampeerplaats. De honderd kleurige ballonnen en de wonderlijke bergen van Cappadocië. Tientallen kopjes Turkse thee (met heel veel suiker!). Onze gastheer in Erzurum die voor de rechter moet verschijnen omdat hij toevallig aan een ‘verkeerde’ universiteit studeert. Het verschil in welvaart in de Kaukasus. Het echtpaar in Georgië dat ons uitgenodigde in hun lemen huis en ons overlaadde met eten. De groene ogen van Georgiërs. De weg vol gaten op de grens tussen Armenië en Georgië. De bergen, de tegenwind en het zware fietsen in Armenië. De berg Ararat en de ark van Noach. Voor het eerst in het Midden-Oosten en voor het eerst een hoofddoek omdoen. De hoofddoek die tijdens de grensovergang drie keer afwaait. De bazaar van Tabriz met al zijn kleuren, geuren en geluiden. De plaats van Martijn voorin (bij de mannen) en Mariëlle achterin (bij de vrouwen) in de bus. De verstopte dameskappers. Dadels: het beste fietsvoer dat er is. Het verhaal van onze gastheer in Teheran over zijn onvrijheid; hij wil reizen (maar dat mag niet), hij wil niet in militaire dienst (maar dat moet wel), hij wil zeggen wat hij wil (maar dat kan niet). Het chaotische verkeer in Teheran. De hoogste vlaggenmast ter wereld in Doesjanbe. Voor het eerst buiten adem op grote hoogte in het Pamir gebergte. Oogverblindende natuur. Noodles en blikvoer. Een kapotte brander en waterfilter in the middle of nowhere. Een kampvuur van yakstront en vriestemperaturen van meer dan -10. Yaks. De mooiste sterrenhemel die we ooit hebben gezien. In bad in een tobbe. Fietsen op 4281 meter boven zeeniveau. Plov. De vele paarden in Kirgizië. De geur van brandende kolen. Lenin in Osh en Bisjkek. De steppe van Kazachstan. De welvaart in Almaty. Skiën en schaatsen op hoogte. De vlucht naar warmere oorden. Het gevoel alsof je de vlindertuin (in de dierentuin) binnenstapt. Het grandioze groen. Afstappen van de fiets om een rijpe mango op te rapen. Spacen in Singapore. Apen langs de kant van de weg. Kamperen in het regenwoud. Doerian eten. IJsvogels en gillende gibbons. Heel veel regen. Nasi goreng en apom balik. Verjaardag vieren op een tropisch eiland. Vissen in alle kleuren. Lichtgevende algen en kokosnoten. Kamperen nabij het strand. 42 gaten in het onderzeil en de binnentent. Temperaturen van meer dan 40 graden. Fried rice, som tam en mango sticky rice. De grens over per longtailboat. Gezichten met thanaka en betelnoot in Myanmar. Honderden gouden stoepa’s. Monniken die om eten bedelen. De duizenden tempels van Bagan. De ontelbare gezichten van Boeddha. Illegaal kamperen in de jungle en rubberplantages. Moeilijk veel muggen. De steile en oneindig op en neer gaande wegen in Noord Thailand. Hitte. Kamperen bij de monniken. Met de boot over de Mekong. Olifanten uitlaten en visum stress. Tropisch Frankrijk in Luang Prabang. Hiep hiep hoera: het Chinees visum is binnen. Zwemmen in de Mekong. Twee maanden geen blauwe lucht. Akkers in de brand. Kamperen in hutjes tussen de rijstvelden. Met mondkapje op de fiets. ’s Nachts 30 graden en dwars door bananenplantages. Fietspech. Verjaardag vieren in de jungle. Marslandschap vlak voorbij grensovergang. We zijn in China!

Immens China

We zijn nog in Laos en kijken naar de kaart van China. Het land is immens. Hoe gaan we dat doorkruisen? Hoe komen we vanaf het zuidelijkste puntje naar de kust in het noordwesten? En dan willen we het liefst ook nog langs de hoge bergen in het westen. We kijken naar de kaart en zoeken veel informatie op via het internet, maar veel verder komen we niet. We hebben op deze reis geleerd dat het belangrijk is om een globaal plan te hebben en je goed in te lezen, maar alles tot in detail proberen uit te zoeken heeft geen zin want de omstandigheden veranderen altijd. Bovendien is het vaak makkelijker om ter plekke via locals informatie te vergaren. Eén ding is zeker: we kunnen nooit alles fietsen. We hebben een visum voor 30 dagen dat we – met een beetje geluk – één keer kunnen verlengen waardoor we 60 dagen de tijd hebben. Dat is nooit genoeg tijd om de duizenden kilometers te fietsen naar Tianjin. We moeten dus stukken met het openbaar vervoer afleggen. En dat – lezen we op internet – wordt spannend (lees; moeilijk, misschien onmogelijk en sowieso stressvol). Bussen waar geen fietsen inpassen; treinen waar geen fietsen in mogen en waarbij fiets en bagage apart moet worden verstuurd; brandstoffles en messen die niet mee mogen. We hebben zin in China maar makkelijk wordt het niet.

Gekke grenzen, lastig liften en overstekende olifanten

Het blijft ons verbazen. Hoeveel verschil een landgrens kan maken. In Laos leven veel mensen in houten hutjes; in China zien we grote hotels en overal neonreclame. De weg heeft geen gaten en de borders langs de weg zijn prachtig beplant met tropische bloemen en planten. De eerste Chinees die we aanspreken met de vraag waar we geld kunnen wisselen antwoordt in het Engels. Nadat we onze duizenden Laotiaanse Kip hebben omgewisseld voor tientallen Chinese Yuan zeggen we tegen elkaar: zal het dan toch makkelijker zijn dan gedacht; zullen de meeste Chinezen Engels spreken? Het duurt niet lang voordat we de conclusie trekken dat het stom toeval was en dat onze hoop volledig ongegrond bleek. 

We fietsen een paar kilometer naar een plek waar we kunnen liften. We hebben besloten te proberen zo snel mogelijk naar het westen te reizen zodat we daar door de bergen kunnen fietsen en een glimp van het Tibetaanse leven kunnen opvangen. De fietsen zetten we aan de rand van de weg en Mariëlle gaat met haar duim omhoog staan maar er komen amper auto’s of vrachtwagens langs. We bedenken dat dit geen zin heeft en fietsen naar de eerstvolgende stad. Als we het daar later opnieuw proberen komen we figuurlijk van een koude kermis thuis. Hier zijn ook weinig mensen op de weg en niemand wil of kan ons meenemen – we moeten ook realistisch zijn; er zijn niet veel voertuigen die twee personen en twee bepakte fietsen kunnen meenemen. Bovendien begint het te regenen. Als we onder een afdakje wachten tot de regen stopt hebben we gelukkig wat afleiding in de vorm van wat je voor ons culturele attracties zou kunnen noemen: een man die een levende schildpad langs de weg wil verkopen en een wild plassende peuters voor ons op de stoep.

“Maar als we vervolgens de snelweg op rijden en de verkeerde kant op gaan, zakt ons de moed in de schoenen.”

De volgende ochtend fietsen we naar het busstation. Als het liften niet lukt dan maar een bus. Na een lange ochtend waarin we eerst het busstation zoeken en daarna met handen, voeten en vooral google translate op onze telefoon proberen te communiceren met de medewerkers van het busstation, komen we erachter dat er alleen een kleine bus vertrekt waar onze fietsen niet in passen. Teleurgesteld gooien we onze strategie weer om: geen bus dan maar weer proberen te liften. We gaan op dezelfde plek staan als de dag ervoor en hopen op meer geluk. Mariëlle houdt een stuk karton omhoog waarop we de naam van onze bestemming in Chinese tekens hebben geschreven. In de brandende zon staan we te wachten. En dan – na ongeveer een half uur – stopt er een busje. Enthousiast rennen we naar de auto en vragen via onze telefoon of wij – en de fietsen – mee kunnen rijden. De chauffeur legt ons uit dat hij niet naar Pu’er rijdt (de stad waar we naartoe willen) maar dat hij ons wel een eind op weg kan helpen. Wij zijn blij met het aanbod, leggen de fietsen achterin het busje op een stapel verfblikken en nemen zelf voorin plaats. Maar als we vervolgens de snelweg op rijden en de verkeerde kant op gaan, zakt ons de moed in de schoenen. Heeft hij ons verkeerd begrepen? We hadden nog wel zo’n mooi bordje gemaakt? Staat er misschien een verkeerd teken op het bordje? Waar zijn die Engels sprekende Chinezen gebleven? We proberen hem duidelijk te maken dat wij de andere kant op moeten maar hij lacht alleen maar naar ons, zegt dat het goed is en steekt nog een sigaret op.

Zenuwachtig zitten we in de auto. Binnen twee uur zijn we terug bij de grensovergang waar we de vorige dag met de fiets zijn begonnen. We kunnen nu niet meer verder en zijn blij als het busje rechtsomkeert maakt en weer naar het noorden rijdt. Onderweg stoppen we een aantal keer bij een winkel waar de chauffeur probeert zijn verfblikken aan de man te brengen. Na een tijdje begrijpen we dat hij een ronde maakt met zijn bus, zijn spullen probeert te verkopen en nu weer naar huis – en voor ons de goede richting – op rijdt. We halen opgelucht adem en kunnen weer genieten van de prachtige omgeving met groene glooiende heuvels.

Al snel komen we erachter dat onze chauffeur – die ongeveer even oud is als wij – het beste met ons voor heeft. Het is zelfs een van de meest vriendelijke en gastvrije mensen die wij deze reis hebben ontmoet. Als wij ’s avonds laat in zijn woonplaats (Jinghong) aankomen – de eerste Chinese miljoenenstad die wij aandoen – vraagt hij of hij ons naar een hotel kan brengen. Wij antwoorden bevestigend en voordat we het weten heeft hij een hotelkamer voor ons geregeld én betaald! Wij geven meerdere keren aan dat we de overnachting graag zelf betalen maar hij staat erop de kamer voor ons te betalen. Vervolgens neemt hij ons mee naar een restaurant, bestelt een tafel vol met de lekkerste Chinese gerechten en weigert wederom als wij de rekening willen betalen. Tijdens het eten vertelt hij ons – via google translate – dat hij naar de grote stad is gekomen om geld te verdienen, dat hij nog geen vrienden heeft gemaakt, dat zijn vader onlangs is overleden, dat hij enig kind is en weinig contact heeft met zijn moeder. Als we later naar zijn ‘huis’ gaan, zien we dat hij woont in zijn winkel. Achter een roldeur en tussen de verfblikken staat een stapelbed. Omdat het voor ons al duidelijk is dat wij hem niet met geld kunnen ‘terugbetalen’, kopen we die avond een cadeautje en schrijven we een kaartje in het Chinees die we de volgende ochtend bij het ontbijt aan hem geven. Hij is er blij mee en kijkt treurig als we afscheid nemen. Als we een stukje verder zijn gefietst wordt het Martijn te veel. Hij is ontroerd door de vrijgevigheid van de jongen die eigenlijk zo weinig heeft. De jongen is eenzaam – dat is duidelijk – en daarom is het moeilijk om hem alleen achter te laten, in de grote stad, tussen de verfblikken. We zullen aan hem terugdenken als een toonbeeld van gastvrijheid – maar ook aan een voorbeeld van hoe moeilijk het kan zijn om met de moderne samenleving mee te gaan.

De volgende dag proberen we weer te liften en wederom hebben we geen succes. Wer besluiten het niet weer te proberen en gewoon te gaan fietsen naar de volgende stad vanwaar we – als het goed is – wel een (grote) bus kunnen nemen. Het zal een paar dagen duren en in eerste instantie zijn we teleurgesteld omdat we nu niet weten of we wel genoeg tijd hebben voor het stuk dat we in het westen willen fietsen. Maar al snel verdwijnt de teleurstelling want de omgeving is prachtig. We fietsen over glooiende wegen door groene bossen met tropische flora en fauna. Op een gegeven moment zien we een bordje met daarop – vrij vertaald – ‘pas op voor overstekende olifanten’. We vinden het spannend en zitten in dubio: willen we nu olifanten tegenkomen of niet? We bedenken dat het misschien maar beter is dat we geen olifanten tegenkomen en ‘gelukkig’ gebeurt dat ook niet.

Als we verder naar het noorden fietsen, zien we voor het eerst sinds twee maanden weer blauwe lucht en zijn als een kind zo blij. Misschien is het moeilijk voor te stellen maar sinds het noorden van Thailand hebben wij geen heldere blauwe lucht meer gezien maar vooral rook, smog en stof. In het noorden van Zuidoost-Azië begint in maart het warme en droge seizoen en de boeren grijpen dan hun kans om van de omstandigheden gebruik te maken en bossen plat te branden voor nieuwe akkers. Het is een makkelijke en goedkope manier om grond te ontginnen, maar het is ontzettend vervuilend. Bij de verbranding komt veel CO2 vrij, bovendien vermengt de rook zich met stof en valt er geen regen om de lucht schoon te spoelen. Het had een negatieve invloed op onze gemoedstoestand en daarom waren we des te blijer om in China weer een heldere blauwe lucht te zien.

Na een paar dagen fietsen komen we aan in Pu’er en proberen we opnieuw met fiets en al een bus te nemen. Het heeft wat voeten in de aarde – onder meer een buschauffeur die geld wil hebben terwijl wij al voor het vervoer van de fietsen hebben betaald – maar uiteindelijk lukt het. Na 12 uur hobbelen komen we aan in Dali, het noordwesten van Yunnan. Hier begint de tocht van een van de mooiste stukken die we deze reis hebben gefietst.

Blèrende biggen, boerende boeren en blotebillenbroeken.

We zijn weer in de bergen en daar worden we vrolijk van. Het uitzicht is prachtig, de lucht is helder en de mensen lachen ons vriendelijk toe. We fietsen door een dal met aan weerszijden groene bergen. Aan de rand van de rivier liggen terrassen waarop verschillende soorten granen worden verbouwd. We fietsen door dorpjes met Chinese boerderijen. De huizen zijn ommuurd en de randen van de daken lopen in de hoeken traditioneel omhoog. Vanaf de fiets zien we een man een handploeg bedienen. Vrouwen wieden onkruid en zaaien de akkers in. We denken aan Nederland waar één boer honderden hectares met hightech machines cultiveert. Het verschil is groot.

Het is zaterdagochtend wanneer we wakker worden van gekrijs. Als we de gordijnen van onze hotelkamer opendoen (we hebben geen kampeerplek kunnen vinden omdat elk stuk vlakke grond gebruikt wordt voor akkerbouw) zien we dat de markt wordt opgebouwd en dat de varkensboer zijn biggen opstelt voor de verkoop. De biggen zitten te klooien in hun kooien en proberen elkaar in de oren of de staart te bijten. De boer rent van de ene kooi naar de andere en heeft het er maar druk mee om ze uit elkaar te houden. Wij kleden ons snel aan en gaan naar buiten om te kijken wat er nog meer te zien is. Als we buiten staan, lijkt het alsof we 50 jaar terug in de tijd zijn gereisd. De varkensboer houdt een big omhoog bij zijn achterpoten zodat mogelijke kopers het dier kunnen inspecteren. Naast ons zit een vrouw met traditionele kleding aan die een paar bosjes kruiden verkoopt. Op het hoofd van de vrouw tooit een knalroze hoofddoek, ze draagt een felgroen hemd met een rijk geborduurd jacket en in haar oren en om haar polsen prijken kralen in alle kleuren. Maar wat nog het meest aan haar opvalt is de manier waarop ze rustig haar pijp rookt en geduldig wacht tot iemand haar kruiden koopt. We lopen verder en mensen met slechte gebitten lachen ons tegemoet. Een mobiele tandarts is druk bezig de schade te beperken. Met een sigaret achter zijn oor en een boor in zijn hand neemt hij zijn patiënten onderhanden die buiten in zijn stoel belanden. We zien vrouwen met enorme hoofddeksels in de vorm van een vijfhoek waarbij we ons afvragen wat er gebeurt als er een harde windvlaag langs komt. We zien mensen die zo kromlopen (waarschijnlijk van het vele werken op het land) dat ze bijna niet meer hoeven bukken om iets op te rapen van de grond. We horen mensen hardop boeren en rochelen. We zien mensen in traditioneel blauw arbeidersoutfit plus bijbehorende pet. We zien rugmanden in plaats van rugzakken. We zien varkenskoppen en slagers die hun vleeswaren uitstallen op houten tafels.

We fietsen en klimmen verder. Soms hebben we moeite met het vinden van een geschikte kampeerplek. In het donker fietsen we met onze hoofdlamp op en scannen de omgeving opzoek naar een vlak stukje grond dat geen akker is en niet te dicht bij de bewoonde wereld ligt. Uiteindelijk vinden we altijd wel een plekje. We genieten van het Chinese eten en zijn blij dat we een andere manier hebben gevonden dan bestellen van een menukaart met Chinese tekens. Aan het eind van de middag gaan we op zoek naar een restaurant met een koelkast met grote glazen deuren. In het zuiden hebben de meeste restaurant een koelkast met daarin verschillende soorten groenten en vlees. Het enige wat wij moeten doen is een of twee verschillende soorten groenten en/of vlees aanwijzen en de kok(kin) maakt er wat lekkers van. Voor omgerekend een paar euro (maar niet zo goedkoop als in Zuidoost-Azië) kunnen we lekker eten en hoeven we zelf niet te koken.

Op onze weg richting het noorden komen we door de Tiger Leaping Gorge. Het is een van de diepste kloven ter wereld. Met open mond staren we naar de bergen van 4000 hoog aan weerskanten van de rivier. Tegelijkertijd moeten we goed oppassen want de weg is niet overal afgezet met een railing en één moment van oplettendheid kan fataal zijn. Na de kloof begint voor ons het echte klimmen. Langzaam kronkelen we omhoog tot ver boven de 3000 meter. Onderweg komen we een paar Nederlanders tegen die zo aardig zijn ons te voorzien van extra hoogtetabletten. In eerste instantie hadden wij niet gedacht dat we na het Pamir gebergte in Centraal Azië nog een keer in het hooggebergte zouden belanden. Een paar keer gebruiken we uit voorzorg een halve pil. In Centraal-Azië en ook hier in China merken we dat we moeizamer ademhalen als we de grens van 2700m bereiken. Vervolgens zitten we een paar uur hijgend op de fiets, maar daarna merken we dat ons lichaam zich aanpast. En als we nog hoger gaan voelen we ons weleens lichtelijk duizelig of voelen we tintelingen in onze handen en gezicht. Maar echt last van de hoogte hebben we gelukkig niet gehad.

“De kleine stampt door de kamer in een broek zonder kruis”.

Het lukt ons niet om de klim in één dag te doen. Aan het eind van de middag hebben we honger en de restaurants die op de kaart staan, blijken niet te bestaan. We kloppen bij een huis aan en vragen de vrouw des huizes of er misschien een restaurant of supermarkt in de buurt is. De vrouw aarzelt geen moment en vraagt of we bij hun willen komen eten. Dankbaar nemen we het aanbod aan. We stappen het huis binnen waar het lekker warm is. We krijgen thee aangeboden en worden met grote ogen aangestaard door de twee dochters van de vrouw. De meiden zijn 3 en 5 jaar oud. Eerst zijn ze nog verlegen maar later komen ze steeds dichterbij. Mariëlle gaat met de oudste tekenen en leert haar een paar woorden Engels. De kleine stampt door de kamer in een broek zonder kruis. Het is een typisch Chinees fenomeen wat we nog vaker zullen zien; peuters met blotebillenbroeken. Het idee is dat de kids geen luiers nodig hebben. Handig, goedkoop en beter voor het milieu maar het blijft voor ons toch een raar gezicht om peuters te pas en on te pas overal hun behoefte te zien doen. We eten gebakken aardappel met een beetje spek en een soort brood dat op oliebollen lijkt – lekker vet bergenvoedsel (in Centraal-Azië aten we vaak hetzelfde). Het smaakt heerlijk – mede omdat we de afgelopen maanden bijna uitsluitend rijst hebben gegeten. Als we het eten op hebben, vraagt de vrouw of we willen blijven slapen. Dat willen we wel en we krijgen zelfs onze eigen kamer. De volgende ochtend geven we als dank een kaartje (wij met fietsen op de Vissersbrug) inclusief zelf geschreven Chinese tekst.

Hakenkruizen, hijgen op hoogte en gele mutsen met rode sneakers.

We klimmen naar de eerste hoge top op 3700m. Na de afdaling (we zitten nog steeds boven de 3000m) komen we voor het eerst in China yaks (langharige koeien) tegen. Ook zien we bijzondere huizen die we nog niet eerder hebben gezien. Het zijn grote vierkante lemen huizen met grote ramen. Eigenlijk lijken het meer op kleine kastelen. We spieken door een poort die openstaat en zien dat de voorkant van het huis steunt op enorme pilaren. Daarboven is prachtig houtsnijwerk aangebracht. Ook de houten kozijnen van de grote ramen zijn met mooie vormen versierd. Onder de daken staan bij sommige huizen verschillende symbolen getekend. Een daarvan herkennen wij direct als een hakenkruis. Maar dat komt omdat wij zijn opgegroeid met een Europees perspectief op de geschiedenis en de wereld. Pas op deze reis hebben wij geleerd dat de swastika een veel ouder symbool is dat in veel geloven en culturen een hele andere betekenis kent; zon (boeddhisme), heiligheid (hindoeïsme), of het getal 10.000/oneindigheid (Chinese cultuur). Ook komen we er later achter dat de kleine kastelen die we hebben gezien Tibetaanse huizen zijn. 

We fietsen verder door naar de stad Shangri-La. Het is de eerste (oud-) Tibetaanse stad die we aandoen. We bekijken het Sumtseling klooster en het oude centrum. Het klooster behoort tot de orde van de Tibetaanse geelmutsen en – je verwacht het niet – de monniken dragen inderdaad gele mutsjes. Wat ook leuk is om te vermelden is dat menig monnik moeite doet om zijn schoenen te laten matchen bij zijn rode pui. Maar omdat je eigenlijk alleen rode sportschoenen kunt krijgen zie je dus veel monniken met een geel mutsje, een rode pui en daaronder hippe rode New Balance of Nike gympies. Het is voor het eerst dat we een Tibetaans klooster bezoeken en we kijken ons ogen uit. We zien heel veel geborduurde stoffen in alle kleuren. We zien metershoge Boeddha’s met blauw haar. En we zien heel veel kleurige muurschilderingen met allerlei mythische figuren met uitpuilende ogen.

In Shangri-la ontmoeten we opnieuw Lukas die ons geholpen heeft met het repareren van de fietsen in Laos. We besluiten om samen het stuk naar Litang te fietsen; de laatste stad in de provincie Sichuan voordat je de autonome provincie Tibet bereikt. Deze route willen we heel graag fietsen om meerdere redenen. Omdat we hoger gaan dan dat we ooit zijn geweest. Omdat we over het Tibetaanse hoog plateau gaan fietsen en omdat we heel veel mooie natuur kunnen zien. We hebben uitgerekend dat het allemaal net moet lukken. We hebben 6 dagen om het stuk te fietsen met maximaal 1 dag uitloop. Daarna hebben we – afhankelijk van of we het in 6 of 7 dagen doen – één rustdag in Litang, waarna we snel met bussen naar Leshan moeten reizen zodat we daar op tijd ons visum kunnen verlengen. Het moet te doen zijn, maar het wordt ook spannend. 

De eerste dag begint goed met een afdaling van maar liefst 50 kilometer en perfecte omstandigheden: zonnetje, amper verkeer op de weg en een prachtig uitzicht over besneeuwde toppen. Aan het eind van de dag duiken we een gorge in en zien we voor het eerst gebedsvlaggetjes. Het is een vrolijk gezicht en het idee achter dit religieuze gebruik vinden wij mooi. Op de vlaggetjes staan gebeden en mantra’s geschreven. De Boeddhistische Tibetanen geloven dat de mantra’s en gebeden op de vlaggetjes met de wind worden meegevoerd naar de goden. De kleuren van de vlaggetjes symboliseren de vijf elementen: blauw staat voor de hemel; wit voor de wind; rood voor vuur; groen voor water; en geel voor de aarde.

We rijden verder door de gorge en gaan op zoek naar een kampeerplek. Dat is lastig want er is alleen een weg, een rivier in een diepe kloof en aan weerszijden hoge rotsen. We hebben al kilometers geen vlak stuk grond meer gezien. We fietsen door en door en zien uiteindelijk een paar betonnen gebouwtjes langs de kant van de weg staan. Ze zien er verlaten uit en als we een kijkje gaan nemen blijkt dat inderdaad zo te zijn. Er hebben wel mensen gewoond maar dat is waarschijnlijk al een tijdje geleden. Het is niet de meest mooi kampeerplek maar we hebben geen andere keus. Mariëlle breekt een tak van een bosje – de enige vegetatie die in dit schrale landschap is te vinden – en begint de vertrekken schoon te vegen. We hebben geluk want de binnentent past precies in één van de vertrekken. Lukas bedenkt een ingenieuze constructie zodat hij zijn hangmat in het andere vertrek kan ophangen.

“Dat is bijna net zo hoog als de Mont Blanc!”

De dagen erna vervolgen we onze weg door de gorge en een landschap met Tibetaanse kasteeltjes, stoepa’s en pagodes (Boeddhistische bouwwerken). We kamperen langs de kant van de weg en zelfs óp (een deel van een oude) weg. Aan de uiteinden van de tent maken we met een stuk touw lussen zodat we ons huisje vast kunnen zetten met grote stenen (haringen werken niet op asfalt). Na 3 dagen beginnen we aan de hoogste klim die we op deze fietstocht zullen maken. Langzaam kronkelen we naar 3000m, daarna 4000m en uiteindelijk bereiken we een hoogte van 4708m! Dat is bijna net zo hoog als de Mont Blanc! Onderweg valt er sneeuw en boven op de top van de berg waait het ontzettend hard. In de afdaling is het koud. Met verkleumde ledematen zigzaggen we naar beneden. We zijn blij als we in Sangdui - een dorp op 4000m - een hotel vinden, maar zijn teleurgesteld als er geen verwarming is. Weer een bijzonderheid: in West-China hebben hotels geen verwarming, terwijl het buiten flink vriest. Matrasverwarmers hebben ze wel maar daar heb je weinig aan als je niet in bed ligt.

Vanaf Sangdui fietsen we naar het Tibetaanse plateau. Een landschap waar je helemaal niks mee kan maar dat wel – en misschien wel daarom – ontzettend mooi is. Het enige wat we zien zijn rotsen, bergen en een prachtige grote lucht. Opnieuw moeten we naar 4600m klimmen. Mariëlle voelt zich al een paar dagen niet fit en als het niet meer gaat nemen de jongens ridderlijk haar tassen over, zodat ze toch boven komt. Als het bijna donker is en we geen tijd meer hebben om het volgende dorp te bereiken, besluiten we de tent op 4400m hoogte op te zetten. Bij het zoeken naar een geschikte kampeerplek steekt er een harde wind op. We vinden ergens een soort ‘kuil’ die ons zou moeten/kunnen beschermen tegen de wind. Veel helpt het niet. Binnenin de tent verzamelt zich al snel een kleine Sahara. Als we buiten noodles en eieren aan het koken zijn begint het ook nog eens te sneeuwen. Snel duiken we de tent in. ’s Nachts vriest het 6 graden en ondanks dat Martijn een trui, vest, legging, sokken en een muts draagt en ook nog kleding over zijn slaapzak heeft gedrapeerd heeft hij het ’s nachts (te) koud. Mariëlle heeft het wel warm in haar dikkere slaapzak maar moet minstens 10x in de vrieskou naar het ‘toilet’.

Op de zesde dag bereiken we Litang – precies volgens schema. Het is een bijzonder dorp. Het nieuwe centrum staat vol met lelijke en dure hotels. Daarachter zijn de oude Tibetaanse lemen huisjes te vinden en staat het klooster. Als Lukas en Martijn op de rustdag het klooster willen bezoeken komen ze langs een berg met stenen waar veel mensen – vooral vrouwen – stenen aan het verplaatsen zijn. Nieuwsgierig nemen we een kijkje. Er zijn veel vrouwen van 50 jaar en ouder. Zonder morren nemen ze stenen op hun rug van misschien wel 10 kilo en slepen die van de ene naar de andere kant van de berg. Wij vinden dat we het niet kunnen maken om als jonge mannen doelloos toe te kijken en bieden aan hen te helpen. Lachend nemen ze het aanbod aan en voor we het weten zijn we twee uur lang stenen aan het sjouwen. Op de stenen staan allemaal teksten in het Tibetaans. Zoals wij het kunnen inschatten is dit een heilige berg met stenen en om een of andere redenen zijn ze nu alle stenen – en dat zijn er duizenden – van de ene kant naar de andere kant aan het slepen. Het is bewonderenswaardig hoeveel kracht en doorzettingsvermogen de oude vrouwen aan de dag leggen. Na twee uur is er tijd voor pauze. Wij krijgen een flesje drinken aangeboden en de vrouwen gaan ook uitrusten nadat ze eerst een slinger aan de gebedsmodel hebben gegeven (het idee van de gebedsmolen is vergelijkbaar met de gebedsvlaggetjes; de molen bevat papier met gebeden en door aan de molen te draaien worden de gebeden in de rondte verspreid richting de goden).

Pingpong-panda, Chinese Champs-Elysees en tenslotte Tianjin

Vanaf Litang rijden we via Kanding in twee dagen met de bus naar Leshan. Onderweg zien we veel van top tot teen ingepakte Chinezen die fietsen zonder veel bagage een (niet steile) berg op duwen. Stiekem moeten we gniffelen. In Leshan verlengen we zonder veel moeite ons visum en bekijken we de grootste Boeddha ter wereld. Daarna stappen we weer op de fiets voor een kleine etappe van twee dagen naar Chengdu. We fietsen door heuvelig groen landschap met mandarijn- en sinaasappelbomen (het woord sinaasappel stamt af van de verwijzing naar een appel uit China -> China’s appel -> sinaasappel) en veel bamboe. We zijn in het gebied waar vroeger de panda’s leefden. Aan het begin van de vorige eeuw leefden hier nog de nodige panda’s in het wild. Daarna werden de schattige beren ontdekt door de rest van de wereld en verdwenen veel panda’s naar het buitenland om daar te dienen als modeaccessoire of als cadeau om diplomatieke betrekkingen te verbeteren (zo kreeg Nixon na zijn pingpong politiek in de jaren zeventig een panda mee naar huis). In Chengdu zien wij ook panda’s en... heel veel Chinezen. We weten niet wat we meer bijzonder vinden: de zwart-witte, pluizige en luie beren of de hordes Chinezen die en-masse hun telefoon of camera pakken als een panda ook maar één poot beweegt.

Na Chengdu zit het fietsen er voor ons voorlopig even op. We nemen afscheid van Lukas en onze fietsen. De fietsen en bagage zetten we op een goederentrein richting Beijing. Brandgevaarlijke voorwerpen zijn verboden te vervoeren en dus beplakken we onze brandstoffles met tape en gooien we hem vol met koffie om de brandstofgeur te maskeren. Ander brandbaar materiaal – of waar een symbool van een vlammetje op staat – zoals bandenplaklijm en scherpe voorwerpen verstoppen we in onze slaapzakken. Zelf stappen we op de sneltrein naar Xi’an. We hebben niet genoeg tijd om de – nog steeds – duizenden kilometers naar Xi’an en Tianjin te fietsen. Met een snelheid van 200km per uur zoeven we naar de eerste partnerstad van de gemeente Groningen. Daar worden we ontzettend hartelijk onthaald. Er is een luxe hotel voor ons geboekt en we worden direct de eerste avond meegenomen naar een restaurant. We overhandigen de brief van de burgemeester en praten over Groningen en onze reis met ambtenaren van de gemeente. We lachen en zijn ook een beetje trots als de Chinezen naar Groningen verwijzen als het ‘Kingdom of bicycles’. Twee dagen later rijden we met een gehuurde fiets over de stadsmuur en geven een interview aan het lokale televisiestation. Het resultaat van de opnames is hilarisch met Martijn die opeens Chinees spreekt. Op de universiteit van Xi’an geven we een presentatie over onze reis aan studenten. Na 5 dagen Xi’an waarin we ook het oude centrum en het terracotta leger bezoeken is het tijd om weer verder te gaan.

We stappen opnieuw in de sneltrein en racen met 300km/u naar Beijing. Daar worden we herenigd met onze fietsen en ontmoeten we Bianca, een vriendin van Mariëlle die voor de Nederlandse Ambassade werkt. We mogen in Bianca haar traditionele Hutong huisje logeren en ze neemt ons mee naar de ambassade. Als de Nederlandse ambassadeur hoort van onze aankomst laat hij weten dat hij ons graag wil ontmoeten. Vlak voor vertrek richting Tianjin rijden we onze bepakte fietsen de streng beveiligde ambassade binnen. We worden ontvangen door een man in een onberispelijk zwart pak en we excuseren ons voor onze korte wielerbroeken en afgetrapte schoenen. Het is een gemoedelijk gesprek en Ed (Kronenburg) is erg geïnteresseerd in onze reis. Hij vertelt ons dat hij ook erg van fietsen houdt en dat hij al meer dan 100 marathons heeft gelopen (waarvan de laatste een paar weken geleden in Binnen-Mongolië op 67-jarige leeftijd). Als we opstaan en naar buiten te lopen om de fietsen te bekijken, ziet Martijn ‘het rode boekje’ van Mao liggen. Hij heeft er altijd al een willen zien en dit is voor het eerst dat hij het boekje in handen heeft. Ed ziet zijn belangstelling en beloofd een boekje voor hem te kopen en mee te nemen naar Nederland. ‘Als je dan weer terug bent kun je hem op de fiets ophalen’. Dat is een deal laat Martijn weten.

In Beijing bezoeken we de verboden stad, de Chinese muur, het Tianamen plein met het mausoleum van Mao en een paar parken. Met gevaar voor eigen leven fietsen we door de stad. De Chinezen hebben voor alles en nog wat regeltjes en houden zich daar over het algemeen ook aan, maar als het aankomt op het verkeer is de volgzaamheid ver te zoeken. Stoplichten doen er niet toe, rijrichting is niet belangrijk en achteromkijken en een hand uit steken als je afslaat hebben ze nog nooit van gehoord. Een paar keer is het bijna raak maar gelukkig gaat het uiteindelijk allemaal goed.

“Het is onze spreekwoordelijke route over de Chinese Champs-Elysées.”

Na een week in Beijing stappen we weer op voor de laatste etappe. Het is onze spreekwoordelijke route over de Chinese Champs-elysees. Niemand kan ons meer wat maken. Onze gele truien zijn onze T-shirts met het logo van fietsstad Groningen erop. Het zou mooi zijn geweest als we vlak voor de aankomst in Tianjin van de volgauto een glas champagne kregen aangeboden maar er moet wat te wensen overblijven. Ondanks het chaotische verkeer zitten we met een glimlach op de fiets. We denken aan de grenzeloze gastvrijheid die ons ten deel mocht vallen. Aan Sina in Teheran die ondanks de onmogelijkheid van zijn eigen droom om de wereld per fiets te ontdekken zich dubbel en dwars inzet om onze droom wel te verwezenlijken. Aan Klaus uit Duitsland die 50 euro en een kaartje onder onze snelbinders achterliet met de tekst dat we vooral moesten genieten van dit avontuur. We denken aan al het prachtige natuurschoon dat we hebben gezien. De betoverende Bartang vallei en het alomvattende groen van het regenwoud in Maleisië. Het helblauwe water van de Soca rivier en de witte bergentoppen in de Alatau. En, last but not least, denken we aan de ruim vierhonderd fietsen die zijn ingezameld voor kinderen uit onze stad. Dat laatste idee maakt ons nog het meest gelukkig.

Hand in hand fietsen we de stad in, onze finish. We stappen af en geven elkaar een kus. Wij hebben het SAMEN gehaald en dat is onze allergrootste prestatie.

Groetjes uit Groningen 

In Tianjin krijgen we wederom een warm welkom. We worden ontvangen door Bob en Ruby (Engelse nicknames) van het Groningen Tianjin-office. Ze hebben een kamer voor ons geregeld in een hotel. Met fiets en al rijden we de lift in. Op de 34e verdieping stappen we uit. We rollen onze aluminium rossen een balzaal van een hotelkamer binnen en worden overdonderd door het uitzicht. We kijken uit over een (12) miljoenenmetropool. We zien tientallen wolkenkrabbers verlicht met flikkerende neonletters. Kleine speelgoedautootjes rijden over de wegen en legopoppetjes wandelen of fietsen in het rond. Groningen is met zijn 230.000 inwoners vergeleken met Tianjin niet meer dan een gehucht. De volgende ochtend geven we een presentatie aan studenten en is het tijd om te doen waarvoor we 14.000 kilometer hierheen zijn gefietst: om als fietskoeriers vanuit fietsstad Groningen een brief van de burgemeester te overhandigen aan de zusterstad en fietsstad van China. Bovenaan de brief staat ‘special delivery by bicycle’, onderaan prijkt de handtekening van Peter den Oudsten. Een medewerker van het ‘Foreign office’ neemt de brief in ontvangst en spreekt lovende woorden. Ze belooft de brief aan burgemeester Li af te leveren. Wij zeggen dat ze hem de groetjes uit Groningen moet doen en beschouwen onze taak als volbracht! 

Verder fietsen 

Oorspronkelijk was het plan om naar Tianjin te fietsen en terug te vliegen. Maar later dachten we: waarom terugvliegen als we ook fietsen kunnen? Daar komt bij dat we nog geen 20.000 kilometers hebben gefietst, zoals van tevoren afgesproken, en, nog belangrijker, dat we nog geen 500 kinderfietsen bij elkaar hebben getrapt. Daarom hebben we besloten ook weer – grotendeels – naar huis te fietsen. Eerst door Mongolië, daarna met de trein door Rusland en dan vanaf St. Petersburg weer op de fiets met een omweg naar huis. Zolang we fietsen blijven we verhalen schrijven en foto’s maken. En we komen niet thuis voordat we 500 fietsen hebben verzameld. Dus gun je ons ook weer in Groningen terug te komen; doneer die kinderfiets of schreeuw het van de daken. 

Xiè Xiè, 

M&M 

20000 km
Wie gaat er winnen?
Martijn en Mariëlle: 20000 km
Groningers: 0 km
We hebben al 500 kinderfietsen. Help ons er nog meer te halen!
Doneer een fiets