M&M en de Mongolen

Het is een van de grootste veranderingen die we hebben meegemaakt op deze reis. Van het bomvolle Beijing gaan we naar de Chinese provincie Binnen-Mongolië waar niks anders is dan stilte, rust en wind. We fietsen over vlaktes en het uitzicht lijkt oneindig. De luchten zijn groot en de wind is hard. Soms duwt de wind ons voort; vaker remt de wind ons af. In dat laatste geval gaan we niet harder dan 10 km/u; met de tassen aan de zijkant van de fietsen vangen we veel wind. Langs de weg zien we dromedarissen. Op de fiets dromen we weg bij de gedachte dat dromedarissen eeuwen geleden werden gebruikt om goederen via een van de vele zijderoutes van het Oosten naar Westen en het Zuiden te brengen. We kamperen op de steppe. We zoeken een plek beschut tegen de wind. De waterzak hangen we op aan een elektriciteitsmast. Rillend van de koude wind nemen we een douche. Van verdroogde bosjes – die bosjes die je in Western films over een verlaten weg ziet waaien – maken we een kampvuur. 

Als we geen water meer hebben, fietsen we naar een van de weinige dorpjes. We kloppen aan bij een huis en een vrouw ontvangt ons met een glimlach. Ze zet de waterkoker 5 keer aan zodat we alle bidons kunnen vullen en nog een beetje warm water hebben om te douchen. Ondertussen worden we verwend met suikerbroodjes en warme melk. Boven de tafel hangt een portret van Djinghis Khan. De man schrijft een paar woorden voor ons in verticaal Mongools schrift. Een paar dagen later worden we ingehaald door een auto die even verderop stopt. We denken dat het Chinezen zijn die een foto willen – dat gebeurt vaker – en we nemen ons voor om dit keer niet te stoppen en als circusaapjes te poseren maar gewoon door te fietsen. Uit de auto stappen geen Chinezen maar Mongolen. Een klein jongetje zwaait naar ons. We stappen toch af en een man komt naar Martijn toe. Hij drukt hem 100 yuan (ongeveer 13 euro) in de hand voor eten. Hij zegt dat hij de zoon is van het echtpaar waar wij water en eten hebben gekregen. We praten even, maken samen een foto en nemen afscheid. 

“Als we worden ingehaald door razende trucks worden we bijna van onze fietsen geblazen.” 

Verbaasd over de vriendelijkheid fietsen we verder. De laatste kilometers naar de grens zijn zwaar. Het landschap is veranderd in een beginnende woestijn. De Gobi woestijn die meer naar het Westen en Noorden ligt, rukt door de klimaatsverandering steeds verder op. We zien niets anders dan droge vlaktes en een paar elektriciteitsmasten. De wind waait hard. Te hard. We kunnen niet harder fietsen dan 6 km/u. Maar dat is nog niet het probleem. Als we worden ingehaald door razende trucks – vanuit het Noorden vol met Siberisch hout – worden we bijna van onze fietsen geblazen. Het gaat een paar keer bijna mis en we besluiten dat dit te gevaarlijk is. Gelukkig duurt het niet lang voordat we een lift hebben geregeld in een van die grote trucks. De chauffeur houdt de deur vast zodat die niet door de wind dicht klapt terwijl wij onze fietsen in de laadbak tillen. We nemen plaats voorin de cabine; Martijn op de passagiersstoel, Mariëlle op het bed van de chauffeur. Vanuit de grote truck lijkt het windstil. We kunnen niet voelen of zien dat er een harde wind waait; nergens staan struiken of bomen waarvan de takken en bladeren heen en weer gaan. Het enige dat we zien is asfalt, zand en een bewolkte lucht. 

De Chinees/Mongoolse grens mogen we niet oversteken met de fiets. Dat betekent: fietsen en bagage bij Chinees busstation in de bus; fietsen en bagage bij Chinees checkpoint uit de bus; fietsen en bagage bij Chinees checkpoint in de bus; fietsen en bagage bij Mongools checkpoint uit de bus; fietsen en bagage bij Mongools checkpoint in de bus; fietsen en bagage bij Mongools busstation uit de bus. Het verschil tussen de twee landen is groot. We merken direct dat we “back in the USSR” zijn. De weg zit vol met gaten; de verf op de gebouwen bladert van de muren; de supermarkt staat vol met drank; en in de perken langs de weg vind je alleen onkruid en plastic bloemen. 

We nemen de trein om de grote Gobi woestijn te doorkruisen. Een grote dorre zandvlakte met heel af en toe een huis. Als we de volgende ochtend wakker worden – na een slechte nacht op een hard bed in een schuddende treinwagon vol snurkende Mongolen – worden we gelukkig vrolijk van het uitzicht: we kijken naar Teletubby land. Groene, glooiende heuvels en een helderblauwe lucht. De trein zigzagt tussen de heuvels door en ’s middags komen we aan in Ulaanbaatar. 

Stel je voor: in Nederland leven 17 miljoen mensen op een klein stukje aarde; Mongolië is minstens 20 keer groter en daar leven nog geen 3 miljoen mensen. Meer dan de helft van de inwoners van het land (ongeveer 2 miljoen) leeft in de hoofdstad. De rest van de bevolking woont op de steppe. Ulaanbaatar is misschien wel de lelijkste stad die wij op onze reis hebben gezien. De straten staan dag in dag uit vol met stinkende en rokende auto’s en bussen. Er is amper groen in de stad en het groen dat er is wordt niet onderhouden. Op het trottoir liggen meer stoeptegels los dan vast en er staan een paar fabrieken met rokende pijpen zo goed als in het centrum. En dan zijn wij hier nog in het begin van de zomer; het goede seizoen. Ulaanbaatar is naast de meest koude hoofdstad ter wereld ook een van de meest vervuilde steden op aarde. Vooral in de winter als er flink wordt gestookt (het kan hier veertig graden vriezen) en er weinig neerslag valt om de vieze lucht weg te spoelen, ligt de stad onder een dikke deken van smog. Maar er is één troost: ga Ulaanbaatar uit, in iedere richting die je wil, en je bent meteen in de middle of nowhere met frisse lucht, groene bergen, stroompjes bergwater en zingende vogels. 

In Ulaanbaatar regelen we ons Russisch visum. Helaas kunnen Nederlanders (en dit geldt voor alle Europeanen) geen Russisch toeristenvisum in Mongolië krijgen. Een transitvisum – waarbij je met het vliegtuig of met de trein in enkele dagen door het land reist – behoort wel tot de mogelijkheden. Wij vragen een dergelijk transitvisum aan en vluchten daarna zo snel mogelijk de stad uit. Het is voor het eerst deze reis dat we niet van punt A naar punt B reizen maar een rondje maken. 

Vanaf Ulaanbataar reizen we eerst nog een stukje met de trein naar Erdenet en dan springen we op de fiets. Het eerste dat we zien zijn glooiende groene heuvels met witte ronde tenten en grote grazende kuddes kasjmier geitjes. De geitjes zijn schattig maar ook stoer omdat ze de koude winter kunnen doorstaan. Van de vacht van deze geitjes wordt de meest luxe wolsoort gemaakt die er is: kasjmier. Het voelt heerlijk zacht aan en is warm en ademt tegelijk. We fietsen verder over de heuvels totdat we geen water meer hebben. Er is in de buurt geen riviertje te vinden dus rijden we naar de dichtstbijzijnde tent. De witte ronde tenten behoren tot de nomaden en worden in het Mongools “gers” genoemd. In Kirgizië en Kazachstan spreekt men van “yurts”. Over het grasland rijden we naar de ger en we parkeren de fietsen voor de tent. Als we vragen om water worden we direct mee naar binnen genomen en geïnstalleerd op een bankje. We krijgen brood met yakboter, warme melk en yoghurt met veel suiker. De ger ziet er gezellig uit. De lage deur heeft blauwe en oranje planken, aan de wanden van de tent hangen kleurige kleden en de meubels en de stokken van de tent zijn beschilderd met vrolijke patronen. De familie is blij met de ansichtkaart die we hen geven. Het contrast kan bijna niet groter: de Vissersbrug op de ansichtkaart met het uitzicht op de statige, stenen panden van de Hoge der Aa en het Mongoolse landschap buiten de ger met de groene weiden en de witte, eenvoudige tenten. Als we water uit de waterton hebben gefilterd springen we weer op de fiets. 

De komende drie weken fietsen we door een geweldig weids landschap. De luchten zijn elke dag anders maar altijd groot: van een helderblauwe lucht naar schapenwolkjes en van een bewolkte lucht tot een skip mei zoere appels. Het landschap verandert van groene heuvels met alleen gras naar groene heuvels bebost met Siberische sparren, naar eindeloze groene vlaktes. De nomaden leven samen met hun dieren en verplaatsen van tijd tot tijd. We zien heel veel dieren. We zien grote kuddes koeien, geiten, paarden, schapen, yaks en zelfs een paar elanden. De groepen dieren worden bijeengedreven door Mongolen te paard gekleed in een lang gewaad, met hoge leren laarzen en een kleurige stoffen band om hun middel, of, iets minder traditioneel, door Mongolen op een motor met veel vering. Naast de gedomesticeerde dieren zien we ook veel wilde dieren. Marmotten duiken snel in hun hol als we aan komen fietsen. De grootste buizerds die we ooit hebben gezien cirkelen boven ons hoofd. Gieren die karkassen van dode dieren openrijten. En vogeltjes die het gehinnik van een paard perfect kunnen imiteren. 

We hebben geluk want in dit deel van Mongolië ligt een perfecte asfalt weg. Toch betekent dat niet dat het fietsen gemakkelijk gaat. Geregeld hebben we flinke wind tegen en de weg gaat op en neer; elke dag maken we minstens 500 hoogtemeters. Als we een kampeerplek gaan zoeken, verlaten we de weg. We rijden dwars over de grasvelden zoals de Mongolen dat ook doen. Typerend voor Mongolië zijn de verschuivende karrenpaden. Iemand kiest een weg – de route langs de minste kuilen – en andere ‘wegbereiders’ (auto’s of mensen te paard of op een kameel) volgen hem. Zo ontstaat een karrenpad. Als het karrenpad te veel is gebruikt en er kuilen en gaten ontstaan, gaat er iemand een paar meter naar links of naar rechts rijden, de volgende wegbereiders volgen hem en zo ontstaat het tweede karrenpad. Voltrekt dit proces zich nog een paar keer dan heb je zo een grasland vol met evenwijdig aan elkaar lopende karrenpaden.  

Op de fiets heb je tijd om te dromen. Zeker in Mongolië als je uitkijkt over oneindig groene heuvels en grote luchten. Al trappend dromen we (oké; in dit geval vooral Martijn) over de tijd waarin de Mongolen het grootste deel van het Euraziatisch continent hadden veroverd. In de dertiende eeuw strekte het Mongoolse rijk zich uit van het huidige Rusland en Siberië in het noorden, China in het Oosten – waar ze de stad Beijing stichtten – India en Perzië in het Zuiden en helemaal tot Hongarije in het midden van Europa. Het was het grootste landrijk uit de geschiedenis; een ongelooflijke lap grond. De Mongolen hadden zelfs plannen om zo ver te gaan als Parijs. Alleen door de toevallige dood van de zoon van Djinghis Khan (de eerste leider) gingen deze plannen niet door. Al dromend op de fiets kunnen we de Mongoolse ruiters over de steppe zien galopperen. Hoe hebben deze nomaden dat ooit voor elkaar gekregen? Door geweld te gebruiken. Je krijgt niet zo’n rijk bij elkaar door handig onderhandelen. Maar het eenzijdige beeld van de Mongolen in de geschiedenis als bloeddorstige en wrede veroveraars klopt niet. De tactiek van de nomaden was om een paar keer flink veel geweld te gebruiken (in Merv – huidig Turkmenistan -  werden bijvoorbeeld alle levende wezens vermoord – zelfs alle dieren – en op een grote hoop gegooid) met het effect dat alle volkeren zo bang werden dat ze zich direct overgaven. Tegelijkertijd waren de Mongolen tolerant ten aanzien van religie en andere lokale gebruiken en waren ze handig met het verdelen van de oorlogsbuit en belastinginkomsten waardoor ze het rijk bestuurbaar hielden. En dan te bedenken dat dat grootste rijk uit de geschiedenis nu is verworden tot een van de armere landen in Azië. Nog steeds groot maar geen schim van wat het ooit geweest is. En zo dromen we verder...

“’s Ochtens worden we gewekt door een knorrende yak.”

Het mooiste in Mongolië is misschien wel dat we overal onze tent neer kunnen zetten. Mongolië is een grote camping. Hadden we in het verleden weleens stress omdat we geen kampeerplek konden vinden, nu hebben we bijna stress omdat we niet weten welke van de tientallen mogelijke plekjes we moeten kiezen. We kamperen op groene weides tussen de kuddes paarden en koeien. We kamperen in groene bossen waarin het brandhout voor het oprapen ligt en waar we elke keer een kampvuur maken. We kamperen naast een dode vulkaan en we wassen ons in koude rivieren. Als we ’s avonds in onze tent liggen horen we kwakende kikkers, gakkende ganzen of gewoon helemaal niks. ‘s Ochtends worden we gewekt door een knorrende yak. Als we op onze eindbestemming zijn aangekomen – het helderblauwe Khovsgol meer – hebben we een paar nachten een ger voor ons alleen. 

Is het dan allemaal maar fantastisch? Nou nee. Op de fiets wordt Martijn flink verkouden. Hoestend en proestend komt hij amper vooruit maar na een paar dagen gaat het beter. Als we weer lekker op de fiets zitten, krijgt Mariëlle last van een voedselvergiftiging. Of het waren de broodjes met vlees – maar die heeft Martijn ook gegeten en die had nergens last van – of het komt doordat Mariëlle de waterfilter uit elkaar heeft gehaald omdat die kuren had en toen besmet is geraakt. Hoe dan ook de bacterie bleek hardnekkig. Na drie lamlendige dagen bij de tent en daarna nog een week met krampen op de fiets en gemiddeld meer dan 20 toiletbezoeken per dag en nacht gaat het nog niet beter. In het dorpje Khgatgal vinden we een dokter die er een infuus en wat antibiotica tegenaan gooit. Als we weer teruggaan met de taxi naar Ulaanbaatar is Mariëlle beter. 

Terug in UB kopen we wat souvenirs waaronder een heerlijke zachte en warme kasjmier trui en maken we ons op voor een hele lange treinreis. Op het moment van schrijven zitten we in de trein van Ulaanbaatar naar Helsinki, met twee tussenstops in Irkoetsk en Moskou. In totaal meer dan 6 dagen en nachten in de trein. Als we naar buiten kijken, zien we Siberië: groene berkenbossen en houten huisjes met moestuinen. Maar dat bewaren we voor een volgend verhaal. 

Dozvidenja, 

M&M 


Bonusfoto's:

 

 

 

20000 km
Wie gaat er winnen?
Martijn en Mariëlle: 20000 km
Groningers: 0 km
We hebben al 500 kinderfietsen. Help ons de 500 te halen!
Doneer een fiets