Terug in Europa

Het is begin juli en we slepen twaalf tassen en twee fietsen uit de trein. Als we het station uit lopen zien we overal mensen fietsen. We krijgen een sms’je dat we gratis kunnen bellen en in de supermarkt betalen we met euro’s. Het had net zo goed Groningen kunnen zijn maar het is Helsinki.

Geografisch gezien begint Europa na de Oeral en de Bosporus; cultureel gezien is het niet overal even duidelijk. Voor ons is het echter zonneklaar dat wij ergens in de buurt van St. Petersburg een grens zijn overgestoken. We merken het aan de vriendelijkheid van de Finse douane; we merken het aan het water dat wij voor het eerst sinds 8 maanden(!) weer uit de kraan kunnen drinken; we merken het aan de Finnen die bijna allemaal perfect Engels spreken; en we merken het aan de culturele diversiteit op straat.

Toegeven, de bovenstaande kenmerken zijn geen gedeelde kenmerken van Europa (niet alle Fransen of Hongaren spreken Engels en in Oekraïne is het op de meeste plekken niet verstandig om uit de kraan te drinken). Maar het gaat meer over een gevoel. Toen wij in Helsinki uit de trein stapte voelde het vertrouwt, normaal en ook een beetje saai. In het afgelopen half jaar reden wij over 4000 meter, moesten we soms voor dagen eten meesjouwen en waren er meestal geen fietspaden te bekennen. In Zuid-Finland wordt het niet hoger dan 200m, op elke hoek van de straat zit een supermarkt en word je duizelig als je op de kaart de juiste fietsroute wil vinden. In avontuurlijk opzicht wordt het allemaal wat minder spannend maar daar krijgen we wel een beetje meer comfort voor terug.

"Wij kijken elkaar aan: ‘horen wij het goed; een scheur in het frame!?"

Als we weer op de fiets springen voor een rondje Zuid-Finland komt er een krakend geluid uit Martijns fiets. We kijken alles na, houden de fiets meerdere malen op de kop en draaien elk boutje aan, maar we kunnen de oorzaak niet vinden. Als we bellen met onze Nederlandse fietsenmaker (Julian van de Fietsenfixer), denkt hij dat het aan de trapas ligt. We halen opgelucht adem want dat is geen groot probleem en rijden naar de dichtstbijzijnde fietsenmaker. Als we de volgende dag de fiets willen ophalen heeft de Finse fietsenmaker slecht nieuws. Bij het vervangen van de trapas heeft hij een scheur in het frame ontdekt. Wij kijken elkaar aan: ‘horen wij het goed; een scheur in het frame!? Maar dat betekent waarschijnlijk dat de fiets Total loss is! De fietsenmaker draait de fiets om en wijst de scheur aan. Wij hebben een riem in plaats van een ketting op onze fiets en onder bij de trapas zitten twee bouten waarmee de riem op de juiste spanning kan worden gezet. Precies bij een van die bouten is het frame een centimeter of twee gescheurd. Op het eerste gezicht lijkt het een onbenullig scheurtje maar dat is het niet. De scheur kan voor speling op de riem zorgen. Zelfs zoveel, dat fietsen niet meer mogelijk is. We zijn uit het veld geslagen door dit nieuws en verlaten in mineur de fietsenmaker.

We proberen onze gedachten op een rij te zetten en bedenken wat we nu moeten doen. Hoe ver kunnen we nog fietsen op de fiets? Kunnen we Nederland nog halen of moeten we direct een nieuw frame regelen? En waar zouden we dan zo snel een frame vandaan moeten halen? De broer van Mariëlle komt over een paar dagen met de fiets naar Finland om speciaal een stukje met ons mee te fietsen. Het zou toch wel sneu zijn als Martijn dan geen fiets heeft...

We bedenken dat het verstandig is om eerst de Nederlandse fietsenfabrikant Santos te bellen maar daar moeten we nog even mee wachten want het is weekend. Ondertussen denken we na over de oorzaak van de scheur. Is het misschien gebeurd tijdens de treinreis? Heeft de Russische douane de fiets misschien te hardhandig onderzocht? Heeft het iets te maken met de kapotte trapas? Hebben we misschien te lang doorgefietst? Of is het misschien zo dat dat de fietsenmaker per ongeluk de scheur heeft veroorzaakt tijdens de reparatie van de trapas en dat vervolgens heeft verzwegen? Het is belangrijk om een antwoord te hebben op die vragen als we willen proberen aanspraak te maken op garantie.

Hoe meer we erover nadenken, hoe meer we ervan overtuigd raken dat de fietsenmaker het weleens zou hebben kunnen gedaan. Het is onwaarschijnlijk dat er iets tegen de onderkant van de fiets is gekomen en onze Nederlandse fietsenmaker heeft ons ervan verzekerd dat een kapotte trapas geen kapot frame kan veroorzaken. Het is wel logisch om te bedenken dat de fietsenmaker misschien de bout te hard heeft aangedraaid. De fietsenmaker twijfelde in eerste instantie of hij de reparatie uit kon voeren omdat hij geen gereedschap had om de riem op spanning te brengen. Maar later verzekerde hij ons dat hij de trapas kon vervangen zonder aan de riem en de bouten te hoeven zitten. Stel dat dat toch niet is gelukt, dat hij een van de bouten per ongeluk te strak heeft aangedraaid en dat hij dit om een of andere reden niet heeft willen vertellen?

We bedenken dat we naar de fietsenmaker moeten gaan en het hem moeten vragen. Maar we verwachten er niet veel van; als hij de breuk heeft veroorzaakt en dat de eerste keer niet heeft willen vertellen, waarom zou hij het dat dan een tweede keer wel doen? We kamperen het weekend in het bos in de buurt van de fietsenmaker zodat we maandagochtend daar eerst langs kunnen gaan. Maar voordat we langs de fietsenmaker gaan, proberen we Santos nog een keer te bellen. In Nieuw-Vennep wordt er opgenomen en we krijgen heel goed nieuws. Hajo van Santos vertelt dat dit probleem een paar keer eerder bij dit type fiets is voorgekomen en dat het niet de schuld is van de fietsenmaker. Er valt een pak van ons hart omdat wij nu gelukkig niet de fietsenmaker (vals) hoeven te beschuldigen. Maar het beste nieuws is dat Santos ons op garantie een nieuw frame wil geven. Dit is bijzonder goede service omdat wij als tweede eigenaar (we hebben de fietsen tweedehands - maar praktisch nieuw - gekocht) geen recht hebben op garantie. Ze zijn zelfs zo super bij Santos dat ze het frame binnen een paar dagen klaar maken en keurig verpakken zodat Richard, de broer van Mariëlle, het frame in het vliegtuig mee kan nemen naar Finland. In Helsinki zoeken we vervolgens een fietsenmaker die de fiets op tijd kan ombouwen. Op dinsdagavond om half 2 ‘s nachts (de fietsenmaker had zich een beetje verkeken op de tijd die nodig was voor de ombouwreparatie) fietst Martijn op een fiets met een spiksplinternieuw frame naar huis.

In Zuid-Finland maken we rondje van Helsinki naar Tampere en Turku en weer terug. Wat valt ons op? Ten eerste heel veel bos; tussen 66% en 77% van de totale oppervlakte van Finland bestaat uit bos (hangt ervan af welke definitie je voor bos gebruikt). Dan zou je denken; dat is prachtig en makkelijk kamperen daar! Prachtig is het zeker; makkelijk zeker niet. Alhoewel er geen hoge punten zijn in Zuid-Finland is het gebied wel heel heuvelig en rotsig. We fietsen meestal meer dan 500 hoogtemeters per dag en het vinden van een vlak plekje voor onze tent is niet zo makkelijk. We zijn geregeld meer dan een uur aan het zoeken naar een kampeerplek; maar als we er dan uiteindelijk een hebben gevonden genieten we wel van een oase van rust. 

Naast de vele bomen zien we ook veel meren en nog meer muggen. In de derde week van juli is het extreem warm in Europa. Uit Nederland horen we berichten van meer dan 40 graden maar ook in Finland is het bijna een week lang boven de dertig graden. De combinatie van warme temperaturen en veel stilstaand water zorgt voor moeilijk veel muggen. Het is zelfs zo erg dat het ons plezier in kamperen even totaal ontneemt. Al dansend zetten we de tent op en zodra die staat, vluchten we naar binnen om daar ons eten op te eten. Binnen horen we het gezoem van een leger muggen die rondom het gaas van de tent blijven zweven. En als we dan noodgedwongen naar buiten moeten om te plassen gebeurt dat - in ieder geval voor Martijn - ook al dansend om maar te vermijden dat de bloedzuigers kunnen toeslaan.

En dan over de Finnen. Er vallen ons meerdere dingen op aan dit volk. Ten eerste de taal; die is volstrekt onbegrijpelijk. Daar zijn meerdere redenen voor. Ten eerste zijn de Finnen koningen in het achterelkaar plakken van klinkers. Neem bijvoorbeeld dit woord dat - opvallend genoeg - ‘plannen voor de huwelijksnacht’ betekent: ‘hääyöaieuutinen’. Maar liefst negen klinkers achter elkaar. Een andere reden is dat het mogelijk is om in de Finse taal heel veel te zeggen met één woord. ‘Juoksentelisinkohan?’ betekent bijvoorbeeld: ik vraag mij af of ik doelloos rond moet lopen?’ 

Een andere reden waarom de Finnen opvallen is hun omvang. In Finland wonen relatief veel forse Finnen. Ongeveer de helft van de volwassenen mensen in Finland is te zwaar en 1/5 heeft last van obesitas. En wij maar denken dat je van hele dagen houthakken en headbangen wel slank blijft ;).

“Om af te koelen lopen we naakt een rondje door het bos.”

Als we aan het eind van de dag bij de Finnen aanbellen voor wat water, merken we ook hoe gastvrij ze zijn. Maar liefst drie keer worden we uitgenodigd om gebruik te maken van hun sauna (het enige Finse woord dat over een groot deel van de wereld bekend is). Eenmaal zit de sauna ver verstopt in het bos. Onze gastvrouw leidt ons ernaar toe en geeft ons instructies: “vul de ketel op de kachel helemaal met water; steek het hout in de kachel aan en wacht tot de sauna een temperatuur heeft bereikt van ongeveer 80 graden; en wil je het nog wat warmer? giet dan wat extra water over de sauna stenen die boven op de kachel liggen.” Niet veel later staat onze tent naast het houten huisje en zitten wij in de sauna te zweten. Om af te koelen lopen we naakt een rondje door het bos. Als we uitgezweet zijn, mengen we het warme water uit de ketel met wat koud water en spoelen we ons af. Tevreden gaan we terug naar de tent.

In het westen van Finland rijden we samen met Richard de Archipelago route. De fietsroute leidt ons over een aantal van de twintig tot vijftigduizend(!) eilanden in de Archipel zee. Op de eilanden - en net als de rest van Zuid-Finland - zien we veel traditionele houten huizen en schuren. De meeste huizen zijn rood geverfd. Later wordt ons verteld dat de verf wordt gemaakt van (relatief goedkope en rode) klei dat het hout goed beschermd tegen schimmel. Daarnaast zien we veel reeën. Vanaf de fiets genieten we een paar keer van het prachtige gezicht van springende reeën door de graanvelden. Het enige waar we nog steeds een beetje teleurgesteld om zijn is dat we geen elanden hebben gezien.

Als we weer terug zijn in Helsinki treffen we daar de ouders van Mariëlle. Het is ontzettend fijn om elkaar na 1.5 jaar weer in de armen te kunnen sluiten. Samen ontdekken we Helsinki en gaan we met de ferry naar Estland. In Estland bekijken we de hoofdstad Tallinn en verblijven we een paar dagen in een gezellig houten huisje in een nationaalpark aan de noordkust. We maken mooie wandelingen door eindeloze bossen en kleurrijke moerasgebieden. We bezoeken een oude Sovjet onderzeeboot basis en een plek met namaak nucleaire raketten om de Amerikanen te misleiden in de Koude Oorlog. En we beklimmen super grote zwerfkeien. Tijdens de terugtrekking van de ijskappen gedurende de laatste ijstijd zijn deze stukken rots op verschillende plekken op het Noordelijk halfrond achtergebleven. In Drenthe zijn de stenen bekend bij het gebruik als grafmonumenten (hunebedden); in Estland vind je de meeste en grootste zwerfstenen van Europa.

“We fietsen door een dunbevolkt gebied met veel bos en beren.”

Na een tiental gezellige dagen stappen we weer op de fiets. We fietsen door een dunbevolkt gebied met veel bos en beren. Estland is qua oppervlakte net iets groter dan Nederland en heeft iets meer dan één miljoen inwoners (1.25 miljoen in 2017). Een groot verschil met de ruim zeventien miljoen in ons kleine landje! En Estland heeft naast de meeste zwerfstenen ook de meeste beren in Europa. Naar verluidt leven er ongeveer 600 beren in het land; vooral in de dunbevolkte en bosrijke omgeving in het noordoosten bij de grens met Rusland. We vragen ons af of het veilig is om overal onze tent neer te zetten. Op internet kunnen we maar weinig informatie vinden en als we locals vragen hebben die nog nooit een beer gezien. Blijkbaar zijn de beren hier banger voor mensen dan andersom. En dus zien wij ook geen beren op de weg en kamperen we naar hartenlust in de groene Estse bossen.

Af en toe passeren we een dorpje. De huizen in de dorpen zien er onaf uit; alsof er nog een laag stuc over de grijze bakstenen moet worden gesmeerd. Op de flats waar wel stucwerk is aangebracht, begint het op veel plekken van de muren te bladeren. De mensen op straat komen op ons een beetje schuchter over en er wordt veel Russisch gesproken. We zijn er nooit geweest maar het voelt voor ons alsof er hier sinds het einde van de Sovjet-Unie nog niet zoveel is veranderd.

"Het is voor ons een verademing om zo van het ene naar het andere land te fietsen"

Na vier dagen fietsen in Estland zijn we bij de grens. Het is voor ons een verademing om zo van het ene naar het andere land te fietsen. Ditmaal geen paspoortcontroles; geen gedwongen busritten; geen dure en ingewikkelde visa en geen zure douanebeambten. Het enige wat we zien zijn twee vlaggen van de landen en een bord dat aangeeft dat we in ‘Latvija’ zijn.

Als we langs de kunst richting het zuiden fietsen, slaan we een zijweggetje in op zoek naar een kampeerplek. We vinden een mooi stukje gras omringd met een paar bomen maar het is onmiskenbaar privégrond. Als we aanbellen bij een houten huis doet een vrouw open die toevallig perfect Engels spreekt. Ze haalt haar oom erbij die het huis en het landgoed eromheen beheerd. Een oude maar beweeglijke man met een vriendelijk gezicht vertelt ons dat die grond die wij hebben gezien niet van hem is, maar dat hij nog wel een ander plekje voor ons heeft. De man leidt ons naar een prachtige weide direct aan de kust met uitzicht op de Golf van Riga. Zijn nichtje – de vrouw die goed Engels spreekt - vertelt ons later dat Jaris 82 jaar is en dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog samen met zijn familie is afgevoerd naar Siberië. Jaris was 11 jaar oud toen hij alleen en op eigen kracht uit Siberië is teruggekomen. Toen hij later wat ouder was en toen de Sovjets nog steeds het land regeerde, heeft hij de Russen gevraagd of hij het huis en land dat tot zijn familie behoorde terug kon krijgen. Wonder boven wonder deden de Russen daar niet moeilijk over en dat is de reden waarom wij hem jaren na dato nog hier op deze mooie plek konden treffen.

We fietsen verder naar Riga. Wat ons opvalt aan de Baltische Staten is dat het contrast tussen de hoofdsteden (Tallinn, Riga en ook Vilnius) groot is ten opzichte van de rest van de landen. De historische centra van de steden zijn met veel Europees geld opgeknapt en het stikt er van de toeristen. Maar loop even wat verder dan de oude stadsmuren en je begeeft je al snel in verpauperde buitenwijken of op - over het algemeen - armoedige platteland.

Nog wel een kanttekening bij het platteland; we hebben nog nooit zoveel mooie (moes)tuintjes gezien als in de Baltische Staten - en ook in Polen. Overal staan de aardappelen netjes in rijen en de bomen hangen krom van de appels. Eenmaal kamperen we bij een boer in de tuin. Als we ‘s nachts in de tent liggen horen we de appels rondom de tent op het gras vallen. De tuintjes zijn een mooi overblijfsel van een manier van overleven in een tijd van lege supermarkten. 

Na Letland rollen we Litouwen in. Het zichtbare verschil tussen de Baltische Staten is dat Litouwen voornamelijk katholiek is en Estland en Letland hoofdzakelijk protestants. In Litouwen zien we het ene na het andere houten kruis en veel huizen hebben een Mariabeeld in de tuin. 

“Het is een van die ontmoetingen die ons waarschijnlijk altijd bij zal blijven.”

We rijden verder over een glooiend platteland met statige eiken tussen de akkers. We hebben op het weerbericht gezien dat het de volgende twee dagen non-stop gaat regenen en daarom zijn we op zoek naar onderdak. Een lege schuur of misschien kunnen we bij een boer aan kloppen? Als we onderweg een grote oude windmolen tegenkomen stoppen we even om een kijkje te nemen. Het is een grote stenen molen van ongeveer 15 meter hoog. De ingang van de windmolen is gebarricadeerd met een houten pallet maar een kier laat net genoeg ruimte om erlangs te glippen en een kijkje te nemen. Binnen is het donker en rommelig. De oude maalsteen staat er nog; verder liggen er vooral veel planken en stof. Martijn gaat voorzichtig de trap op maar besluit halverwege dat dit toch niet zo’n goed idee is. Als we weer naar buiten komen staat er een man voor de deur. De man is een jaar of zeventig en kijkt glazig maar toch ook vriendelijk uit zijn ogen. Hij begint te praten in het Litouws en als wij reageren dat we toeristen zijn en de taal helaas niet spreken, antwoordt hij wonderbaarlijk in het Engels. Hij vraagt of wij de windmolen mooi vinden. Als wij bevestigend antwoorden zien we dat zijn ogen oplichten en we vragen of de windmolen misschien van hem is. De man begint een verhaal maar houdt halverwege op. Hij is moeilijk te verstaan en lijkt naar woorden te zoeken. We kijken elkaar aan en dan vraagt de man of we meekomen naar zijn huis. Even aarzelen we maar dan zeggen we tegen elkaar - waarom niet? - en we rijden met de fiets achter zijn auto aan. Een landweggetje leidt ons naar een groot houten landhuis. Het huis heeft een statige entree met twee vlaggenmasten. Rondom het huis staan oude eiken en vervallen schuren. We zien een verroeste trekker en verderop staat een oude vrachtwagen uit de Sovjettijd verscholen in het hoge struikgewas. Als we aan komen fietsen bij het huis staat de vrouw des huizes ons al op te wachten. Ze vraagt direct - ook in het Engels - of we koffie willen en voor dat we het weten zitten we met koffie en taart binnen in het huis op de bank. Maar voordat we een slok kunnen drinken, worden we meegenomen naar de oude bibliotheek. De kamer staat vol met oude en stoffige boeken, veelal bijbels. De vrouw laat ons oude foto’s zien. Zwart-wit foto’s met een grote groep mensen in de natuur. Ze vertelt dat de foto is genomen in Siberië en dat ze daar is geboren. De tour door het huis gaat verder en we dwalen af naar een donkere kelder. Midden onder het huis komt van boven licht tevoorschijn en Regina vertelt dat de schoorsteen speciaal is gebouwd om hammen te roken. Dan lopen we weer naar boven en drinken samen koffie.

We zijn op bezoek bij Regina en Ramos en we blijven twee nachtjes slapen. Terwijl het buiten onophoudelijk regent, vertelt Regina dat zij al meer dan 20 jaar bezig zijn met de restauratie van hun landhuis en de windmolen. Regina is geboren in Siberië en Ramos heeft gewerkt voor de Russen aan het atoomprogramma in St. Petersburg. Toen de Sovjet-Unie uit elkaar viel en Litouwen weer onafhankelijk werd heeft het tweetal zich de taak gesteld het landhuis en de windmolen te restaureren en daarmee de Litouwse cultuur voor het nageslacht te bewaren. Ramos heeft vele jaren hard gewerkt aan de restauratie. We bekijken oude foto’s van het huis en zelfs een documentaire over de windmolen en we kunnen zien dat er veel is opgeknapt. Maar nu gaat het niet meer... Gedurende de twee dagen dat we bij het tweetal te gast zijn, praten we vooral met Regina. Als wij aan tafel zitten met een kop thee of koffie loopt Ramos rondjes door het huis. Als ‘s avonds het eten op tafel staat, schuift Ramos pas later aan en na een paar happen staat hij al weer op. Als je Ramos wat vraagt geeft hij niet altijd antwoord. Het is duidelijk dat Ramos dementerende is. Alleen als het gaat over de windmolen lichten zijn ogen op en spreekt hij met volzinnen.

We hebben met het stel te doen. De windmolen is hun levensproject maar het lijkt er niet op dat de plannen werkelijkheid worden. We zien uiterst getailleerde bouwtekeningen van de molen met op de begane grond een winkel en op de tweede verdieping een museum. We zien een map met onbeantwoorde aanvragen voor Europese subsidies. En we zien Ramos ronddwalen door het huis. Als we samen met Regina kijken naar de documentaire over de molen pinkt ze stilletjes een traan weg. 

De volgende dag fietsen we weg met een fietstas vol met eten waaronder honing, jam en een bak met aardappels en hamburgers. Vlak voordat we de autoweg op draaien zwaaien we nog een laatste keer naar het echtpaar voor het enorme huis. Langs de weg staat de windmolen; de houten wieken liggen in het gras. Het is een van die ontmoetingen die ons waarschijnlijk altijd bij zal blijven.

We fietsen verder naar Vilnius. In Vilnius is het feest. Precies dertig jaar geleden protesteerde de Baltische bevolking op prachtige wijze tegen de Russische onderdrukking. Op 23 augustus 1989 vormden ongeveer 2 miljoen Esten, Letten en Litouwers een menselijke ketting van Tallinn, via Riga naar Vilnius; ongeveer 650km lang. Het signaal om elkaar hand vast te pakken werd gegeven via radio’s.

Het is een mooi toeval dat wij ook over de drie hoofdsteden zijn gefietst en precies in Vilnius aankomen op de dag van de dertig jarige herdenking van de Baltische Weg. ‘s Avonds gaan we naar het Kathedraalplein waar inwoners van de drie staten elkaar treffen in lokale kledij. Op het plein is een metershoge stellage gebouwd met honderden oude radio’s. Er is muziek en de president houdt een toespraak waarin hij vertelt dat hij zijn vrouw heeft leren kennen tijdens de protestactie.

De viering van drie decennia Baltische onafhankelijkheid is geen overbodige luxe. Op het moment van schrijven werken 24 NAVO landen - inclusief Nederland - samen in Litouwen om zich voor te bereiden op toekomstige oorlogsvoering. Dat dit in Litouwen gebeurt is geen toeval; de oefening dient als geruststelling van de inwoners van de Baltische Staten en tevens als afschrikking voor Rusland. Want na de annexatie van de Krim door Rusland in 2014 is niets meer zeker aan de oostgrens van de Europa.

Van Vilnius rijden we over zandwegen met wasbord-profiel richting de Poolse grens. Eens vormde deze twee landen één van de grootste rijken die Europa ooit heeft gekend. Van de 16e tot en met de 18e waren Polen en Litouwen verenigd in een gemenebest dat het grondgebied besloeg van het huidige Polen, Estland, Letland, Litouwen, Wit-Rusland, een deel van Rusland en Oekraïne. Krakau, Warschau, Minsk en Kiev dienden allemaal dezelfde Poolse koning. Nu ligt de grens tussen Polen en Litouwen verscholen in een verlaten bos en spelen de twee landen een marginale rol in de internationale politiek. 

In Polen volgen we de grens met Litouwen en Wit-Rusland richting het zuiden. Dat is totaal uit de richting als Groningen het eerste doel zou zijn maar dat is het dan ook niet. We zijn het fietsen nog niet zat en we willen weer terug naar de bergen. Bovendien hebben we met de ouders van Martijn afgesproken in Wenen en dus zetten we koers richting de Slowakije en de bergen van de Hoge Tatra.

In Polen fietsen we door een dunbevolkt gebied met glooiende akkers en veel bos. Dorpjes bestaan soms uit niet meer dan vier huizen maar overal staat een (vaak houten) kerk. In Polen - het land met misschien het ellendigste geschiedenis van alle Europese landen in de afgelopen paar eeuwen - vindt meer dan 90 procent van de bevolking troost in het katholieke geloof. Het valt ons op dat wij in Polen meerdere kerken in aanbouw zien - een tegengestelde ontwikkeling ten opzichte van bijvoorbeeld Nederland waar leegstaande kerken worden omgetoverd tot appartementencomplexen voor studenten of starters.

Na een paar dagen bereiken we het woud van Bialowieza dat zich uitstrekt over de grens met Wit-Rusland. Tegenwoordig vinden we dit een immens groot stuk bos maar eigenlijk is het maar een nietig overblijfsel van de grote stukken bos die het Europese continent duizenden jaren lang domineerden. Het bos van Bialowieza staat tegenwoordig bekend als ‘het laatste oerbos van Europa’. In werkelijkheid kan maar een klein gedeelte van het bos (misschien) aanspraak maken op deze definitie. De reden dat we in de afgelopen eeuwen weinig tot geen menselijk ingrijpen in de bossen heeft plaatsgevonden is dat het gebied werd gerekend tot het jachtterrein van de Poolse koningen en later de Russische tsaren. Het gebied werd goed beschermd en beheerd waardoor er tot en met de Eerste Wereldoorlog nog laaglandwisenten (een soort bizons) voorkwamen. Na de oorlog raakte de wisenten uitgestorven in dit gebied maar sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn de dieren opnieuw uitgezet en naar verluidt leven er nu ongeveer 300 van deze ‘bizons’ in het bos.

Als wij door het bos fietsen, zien we geen wisenten. Wel zien we een bos met relatief veel open plekken en verschillende soorten bomen (eiken, elzen, grenen, beuken en sparren). ‘s Avonds kamperen we in het bos en ook dan krijgen we geen bezoek van lynxen, herten of bevers die ook in het bos schijnen te wonen. Een van de weinige dieren die we wel te zien krijgen is een teek en wel op Martijns been. Als Martijn twee weken later griepklachten krijgt, gaan we toch even naar de dokter voor een antibioticakuur.

We trappen door richting Lublin. Het is de stad waarin iets minder dan 5 eeuwen geleden het Pools-Litouws Gemenebest werd bezegeld door de ondertekening van de Unie van Lublin. De historische binnenstad is prachtig met een mooie markt en oude koopmanshuizen met kunstige gevels. Op een heuvel staat het paleis waarvan de rooms-katholieke kapel wereldberoemd is omdat de schilderingen in de toren eeuwen geleden zijn gemaakt door Byzantijnse (orthodoxe) kunstenaars. Heel de stad ademt een multicultureel verleden waarin joden, rooms-katholieken, orthodoxe christenen en moslims vredig met elkaar samenleefden. Een groot contrast met de dag van vandaag waarin de rechtse regering van Polen (samen met die van Hongarije) zich onverdraagzaam opstelt tegenover vluchtelingen en mensen uit andere culturen.

“Maar het mooiste is dat we eigenlijk nooit alleen met water vertrekken.”

Het fietsen en kamperen gaat gemakkelijk in Polen. We fietsen 6 dagen achter elkaar meer 100 kilometer per dag. Als we aan het eind van de middag een kampeerplek zoeken, kijken we op de kaart naar een groen stukje bos dat niet te dicht bij huizen ligt. In Oost Polen is dat nooit moeilijk en binnen no time hebben we één of een paar punten op de kaart gemarkeerd. Voordat we naar het potentiële plekje fietsen, gaan we eerst op zoek naar een huis waar we aanbellen en vragen om wat water; koud water voor in de bidons om te drinken en warm water voor in de waterzak om te douchen. Mariëlle belt altijd aan - een hulpbehoevend blond meisje met grote ogen maakt toch meer indruk dan een lange, vreemde jongen - en het leuke is dat ze eigenlijk altijd mee naar binnen mag. Hierdoor kan ze in veel verschillende landen en bij veel verschillende mensen een kijkje achter de voordeur nemen. Maar het mooiste is nog wel dat we eigenlijk nooit alleen met water vertrekken. In Polen krijgen we o.a. taart; emmers met appels, tomaten en komkommers; weckpotten vol met augurken, gegrilde paprika’s en champignons en zelfgestookte wodka. Het is werkelijk hartverwarmend hoe gastvrij de Polen zijn. Met een warm gevoel vanbinnen fietsen we naar het bos en genieten we van het lekkere eten dat we hebben gekregen.

En dan, na weken van vlakte en makkelijk trappen zijn we eindelijk weer in de heuvels; de plek waar wij ons het beste thuis voelen. Maar de verhalen over onze reis door o.a. de Tatra, de Dolomieten en de Alpen bewaren we voor een volgende keer. 

Dziekuje, M&M  


20000 km
Wie gaat er winnen?
Martijn en Mariëlle: 20000 km
Groningers: 0 km
We hebben al 500 kinderfietsen. Help ons er nog meer te halen!
Doneer een fiets