Trappen in de tropen - Maleisië, Thailand en Myanmar

In de vorige blog kwamen alle statistieken aan bod na 10.000km fietsen. Nog onbesproken bleven onze belevenissen sinds we uit Georgetown, in de Maleise deelstaat Penang, vertrokken.
Tijd om bij te praten! We zijn op jacht naar een Chinees visum en naar 400 gedoneerde kinderfietsen!

Koers in Georgetown!
Het is 15 december 2018 als we onze ‘warmshower-host’ Adrien gedag zeggen en het Titi Teras Village House verlaten. Na een week van de luxe van een huis is het even wennen als we weer in het zadel klimmen. Rustig aan inkomen zit er niet in. We moeten meteen flink klimmen. Als we onszelf en de fietsen pedaalslag na pedaalslag omhoog duwen, worden we ingehaald door een paar fietsers. Nadat enkele tientallen wielrenners met rugnummers ons hebben gepasseerd, hebben we door dat we in het speelveld van een wielerwedstrijd zijn beland. Hoe dichter bij de top, hoe meer publiek langs de kant van de weg. Het moet er vast komisch uitzien: twee flink bepakte toerfietsers tussen gesoigneerde Maleisische wielrenners. Als we op de top de finish bereiken worden we joelend en klappend onthaalt. Een beetje ongemakkelijk voelt het wel, maar we kunnen er smakelijk om lachen. 

Zo vlak als een pannenkoek
Bij de finish zijn wij er helaas nog niet. We dalen af en banen ons een weg door het drukke verkeer in en rond Georgetown. Vele stoplichten later bereiken we het rustige platteland van Noord-Maleisië. Het land is zo vlak als een pannenkoek. Grote luchten gevuld met witte wolken en groene rijstvelden. Een netwerk van schelpenpaadjes verbindt de velden met elkaar. Het doet ons denken aan de Groningse ommelanden. Met lichte weemoed denken we terug aan ons Grunn. Toepasselijk sluiten we de dag (en ook de dagen erna) af met een flinke regenbui.

Groetende gibbons in het regenwoud
De laatste twee fietsdagen tot aan de Thaise grens kronkelen we door rijstvelden en kleurige vissersdorpjes. Soms moeten we een stukje omfietsen om via een brug een slootje over te steken. Onderweg zien we helblauwe ijsvogels en flinke varanen. Als we dichter bij de grens met Thailand komen, verandert het vlakke land in een heuvellandschap. De laatste kilometers in Maleisië fietsen we door het Thale Ban National Park. We klimmen 300 meter in de brandend hete zon omhoog. Links en rechts van de weg staan hoge (palm)bomen begroeid door orchideeën en lianen. In de verte horen we apen brullen. Na enkele kilometers doemt in de verte de Maleisisch/Thaise grenspost op. Het is tijd om afscheid te nemen van Maleisië. Het land waar we voor het eerst kennis maakten met de groene overdaad van het tropisch regenwoud. Met bloemen, vlinders en vogels in de meest prachtig bonte kleuren. We genoten van de zoete keuken en gastvrijheid van de Maleisiërs. De gibbons roepen ons vanuit de bomen gedag. Terima kasih Maleisië; sawadee k(r)a(p) Thailand

Sawadeekrab in Zuid-Thailand
Twee stempels in ons paspoort rijker rollen we Thailand in. We fietsen nog steeds door het regenwoud van het Thale Ban National Park. En waar denk je aan bij een tropisch regenwoud naast door bomen slingerende apen? Juist ja, regen. Een half uur nadat we de grens zijn overgestoken komen duizenden dikke druppels water uit de lucht vallen. We schuilen bij een oud vrouwtje die bezig is dakbedekking te maken van gedroogde palmbladeren. We krijgen een stoel aangeboden en wachten tot de regen ophoudt. Maar de regen houdt niet op. Als het na een half uur niet droger lijkt te worden zit er niets anders op dan weer op te stappen en door de regen te fietsen. Wanneer we Khuan Don binnen fietsen, staan de straten blank en zijn wij doorweekt. Bij een winkeltje stoppen we om een simkaart te kopen. We hebben warmshower-host Pot een berichtje gestuurd met de vraag of we bij hem kunnen overnachten. Als we contact maken met het internet lezen we zijn positieve reactie op onze mail. We zijn welkom! Erg fijn, zeker omdat het tot ’s avonds laat blijft regenen. 

We blijven twee nachten bij Pot en zijn gezin. Hij heeft twee leuke zoontjes. Alex van 6 en Alen van 3. Pot en zijn vrouw spreken weinig Engels. Hun zoontjes daarentegen spreken een redelijk woordje Engels. Dat leren ze zichzelf via YouTube. Razendsnel pikken ze nieuwe woorden op. Samen met Pot en zijn collega’s gaan we naar de nightmarket. Er is van alles te koop. Tropische vruchten in vele vormen en kleuren, gedroogde insecten, pittige curries, spiesjes met varkens- of kippenvlees van de grill, zoete rijst-desserts, gefrituurde vis of octopus, noedels-soep, pad thai of gewoon een bord fried rice. Onze favorieten zijn som tam (papaya salade), mango sticky rice (mango met plakrijst en zoete kokoscrème) en longsat (fruit dat lijkt op lychee). ’s Avonds smullen we samen met Pot en zijn collega’s van een heerlijke maaltijd. De volgende dag kookt Pot’s vrouw Tom Yam, een pittige Thaise soep met garnalen. Wij bakken Hollandse pannenkoeken voor het dessert. 

Bloemkoolkoraal en gatenkaas
Het zuiden van Thailand staat bekend om zijn vele prachtige tropische eilanden. Veel eilanden worden jaarlijks overlopen door hordes toeristen (Phuket, Koh Lipe, Koh Phi Phi etc.). Gelukkig zijn er ook enkele schitterende eilandjes die bij het grote publiek onbekend zijn gebleven. Wij willen daar 1 van bezoeken. Online lezen we dat het eilandje Ko Bulon Leh zo’n eiland is waar je aan denkt bij een rustig tropisch ‘bounty’ eiland. Kristalhelder zeewater, spierwitte stranden, kokspalmen en prachtige tropische vissen in het water. We bedenken om 9.15 uur in de ochtend dat we de boot van 12.00 uur willen nemen. Het is 65km fietsen naar de haven van waaruit de boot naar het eiland vertrekt. We moeten dus meer dan 30 km/u fietsen om op tijd te komen. We trappen ‘m flink aan. Niet eerder op deze reis fietsen we zo snel. We komen net op tijd aan, laden de fietsen op de boot en stuiteren met harde klappen over de golven richting eiland. 

Na een half uur varen doemt aan de horizon het silhouet van een eilandje op. Als we dichterbij komen zien we azuurblauw water, een wit strand en groene palmbomen. We laden onze fietsen en bagage over op een longtail boot die ons het laatste stukje naar het strand brengt. Als we voet aan wal zetten schieten krabbetjes weg in het zand. Aan de rand van het strand zetten we in een dennenbos onze tent neer. Water en stroom mogen we halen bij een strandtentje in de buurt. Hier kunnen wij ons wel een tijdje vermaken. Snel trekken we onze bikini en zwembroek aan en nemen een duik in het water. 

Op 23 december is Mariëlle jarig. Martijn heeft een mooie kaart gemaakt én een erg leuk cadeau gegeven: we gaan op snorkeltour! We vertrekken ’s ochtends met de boot vanaf het eiland en stoppen onderweg drie keer om te snorkelen. De onderwaterwereld is overweldigend mooi. We zien: maanvissen, lichtgevende vissen, nemo’s, camouflage vissen, langwerpige vissen, vissen met een hamerhoofd, zeeslakken, schelpdieren in alle kleuren, hard koraal, zacht koraal, koraal in de vorm van hersenen, bloemkoolkoraal in zeven kleuren, vliegende vissen, dalmatiër vissen en nog meer. We zwemmen zelfs tussen scholen van duizenden vissen. Halverwege de dag eten we op het strand van een onbewoond eilandje rijst en vers fruit. De hele dag zijn we in of op het water. Een verjaardag om nooit te vergeten! 

We halen de tent neer en tellen tot onze schrik tientallen gaten in het onderzeil
Op het eiland vieren we kerst, lezen we een boek op het strand en zwemmen we in zee. Als we ’s avonds in het donker een duik nemen zien we honderden sterren aan de hemel én in het water. Het laatste veroorzaakt door lichtgevende algen die oplichten wanneer de kleine beestjes in beweging worden gebracht. Na een week is het tijd om uit de ‘chill-modus’ te stappen en terug te keren naar het vaste land. We halen de tent neer en tellen tot onze grote schrik tientallen gaten in het onderzeil (later tellen we er 42!) Schijnbaar hebben de mieren/termieten ook genoten van ons verblijf op het eiland... 

Een half uur nadat we de spullen hebben ingepakt, worden we door een longtailboot opgehaald die ons naar de speedboot brengt. De zee is beduidend kalmer dan de heenreis. We hoeven de fietsen niet vast te houden en kunnen op de voorsteven genieten van het uitzicht. We vliegen langs onbewoonbare eilandjes vol ondoordringbare jungle. De kapitein mindert vaart als we enkele vissersbootjes naderen zodat de vissers niet omslaan door de boeggolf. Drie kwartier laten zetten we voet aan wal. 

Hanen vechten om een fiets
In de dagen erna gebeurt er weinig bijzonders. We fietsen door rubberplantages, rollen over goede wegen en eten heerlijke Thaise gerechten. Zelden is er wat te beleven in de dorpjes die we doorkruizen, totdat we door een dorpje 30 km voor Trang fietsen. Langs de kant van de weg zien we een 20tal scooters geparkeerd staan. Op een grasveldje staat een groep mannen met hanen. Er blijkt een hanenkeuring gaande. Op het Thaise platteland vinden wekelijks hanengevechten plaats. Hanen hebben van nature de drang indringers van hun territorium te verjagen. Als je ze bij elkaar zet, zullen ze elkaar daarom aanvallen. De wedstrijdtraining begint al wanneer de hanen nog kuikens zijn. Er bestaat zelfs een speciaal trainingsinstituut in Chiang Mai om de hanen klaar te stomen voor wedstrijden! Wij hebben enkel de hanenkeuring gezien waarbij geld wordt ingezet op de hanen. Een week later vond de daadwerkelijk wedstrijd plaats. Leuk feitje: de winnaar kreeg... een fiets.

Als we in de buurt van de stad Krabi komen, verandert het landschap. Hoge steile kalksteenformaties begroeid met tropisch groen doemen op in het landschap. We fietsen door stukken jungle en langs velden vol ananasplanten. De Krabi provincie is een prachtige streek om doorheen te fietsen. Tenminste, als je de toeristische plekken vermijdt. Omdat Martijns telefoon steeds uitvalt, fietsen we naar een telefoonwinkel in het toeristische plaatsje Ao Nang. Hoe dichter we bij het stadje komen, hoe drukker het wordt op de weg. Als we bij het strand aankomen is het één grote gekke boel. Hordes toeristen lopen kriskras door elkaar heen op het strand en op de boulevard. Vele groepen vakantiegangers worden na een dagje eilandhoppen door longtail boten afgezet op het strand. We kijken onze ogen uit. We zien schaars geklede mensen vol tattoos en piercings. We zien door de zon donkerbruingekleurde vellen, jonge mensen, oude mensen en een hoop verschillende nationaliteiten. 

We vervolgen onze weg langs de westkust richting de grens met Myanmar. Het is nog maar een paar dagen fietsen voordat we het grensstadje Ranong zullen bereiken als we het bericht ontvangen dat een tropische storm onderweg is naar het zuiden van Thailand. Volgens de voorspellingen zal de storm, genaamd Pabuk, veel wind en regen met zich meebrengen. In de regio waar wij fietsen is meer dan 150mm regen op één dag voorspeld. Aangeraden wordt om een veilig plek binnen op te zoeken. We hebben weinig zin om een paar dagen binnen te wachten tot de storm voorbij is getrokken, maar willen ook geen risico’s nemen. In het stadje Takua Pa vinden we een hotelletje waar we een paar nachten kunnen overnachten. Uiteindelijk valt de storm en regen reuze mee. Terwijl wij wachten op een beetje sensatie valt er niet meer dan 10mm regen verspreid over twee dagen. 

Terwijl Pabuk ertussen uit piept stappen wij weer op de fiets. In drie dagen tijd fietsen we naar het stadje Ranong. We komen door mangrovebossen en langs velden vol waterbuffels. Overdag is het erg warm en drinken we meer dan 6 liter water. We hebben zoutkringen in onze kleding van het vele zweten. ’s Avond s kamperen we aan de rand van een verlaten strand en nemen een duik in de zee bij maanlicht. Deze momenten genieten we het meest van onze fietsreis. Rust, natuur en kamperen onder een prachtige sterrenhemel. 

Reünie met Marlies & Diego
Als we bijna in Ranong zijn krijgen we een appje van fietsers Marlies & Diego. Ze zijn in de buurt en het is mogelijk elkaar te ontmoeten. De twee fietsen van Nijmegen (Marlies haar geboortestad) naar Jakarta (Diego’s geboortestad). Eerder hebben we elkaar ontmoet in Doesjanbe, Tadzjikistan en sindsdien hebben we contact gehouden. Het lijkt ons erg leuk elkaar weer te zien en spreken af voor de volgende dag. In Ranong eten en drinken we samen en gaan we pootjebaden in een hotspring (alsof het nog niet warm genoeg is...). Het is leuk om ervaringen uit te wisselen met mensen die een soortgelijke tocht ondernemen. Na twee dagen Nederlandse (en Indonesische) gezelligheid nemen we afscheid. M&D reizen door naar het zuiden, wij vertrekken naar de grensovergang met Myanmar. 

Mingalarbar Myanmar!
De natuurlijke grens tussen zuid-Myanmar (Birma) en Thailand wordt gevormd door de Kraburi rivier. Het bijzondere aan de grensovergang tussen beiden landen is dat we per longtail boot de rivier moeten oversteken om de Birmese immigratie te bereiken. Als we bij de Thaise pier/grenspost aankomen stormen direct enkele gehaaide mannetjes op ons af om ons een bootticket te verkopen. We weten ze van ons af te schudden en halen een ‘exit-stempel’ bij de Thaise douane. Bij een rustige en vriendelijke kapitein kopen we vervolgens een bootticket en laden de fietsen op. Aan een bemanningslid geven we ieder twee kopieën van ons paspoort af. Onderweg stoppen we tweemaal bij een drijvend checkpoint waar de kopieën van ons paspoort worden gecontroleerd. Na een half uur varen, meren we aan in het Birmese stadje Kawthaung. Er is geen aanlegsteiger en dus moeten we fietsen en bagage via andere boten naar de kade tillen. Een paar Birmezen helpen ons een handje en 5 minuten later staan we op Birmees grondgebied. ‘Mingalarbar Myanmar’!

Tijdens onze eerste uren Myanmar kijken we onze ogen uit. Een paar dingen vallen direct op. We zien ontzettend veel vrouwen, kinderen en soms ook mannen met geschminkte gezichten. De mensen beschilderen hun gezicht met thanaka poeder: een mengsel van vermalen boomschors van de Thanakaboom en water. Als we verschillende mensen vragen waarom ze het gebruiken, krijgen we verschillende antwoorden. Sommige mensen geven aan het mengsel te gebruiken ter bescherming tegen de zon. Andere mensen laten weten dat het een verkoelend effect heeft. Enkele anderen zeggen dat het vooral als vorm van cultuuruiting geldt. 

Daarnaast valt op dat veel mannen kauwen op een goedje dat hun tanden rood kleurt, waarna ze het uitspugen. Het blijken betelnoot pakketjes te zijn. De betelnoot is afkomstig van de betelpalm. Later zullen we nog zien dat veel van deze betelpalmen groeien in het zuiden van het land. De noten worden geoogst en langs de kant van de weg te drogen gelegd. Wanneer de noot voldoende is gedroogd wordt hij in plakjes gesneden. Het plakje noot wordt samen met een mengsel van kalk en catechu (soms wordt er ook tabak toegevoegd) in een betelblad gevouwen. Het pakketje wordt vervolgens in de mond gestopt. Men kauwt er een tijdje op en spuugt het daarna uit. De vloeistof die wordt uitgespuugd laat een rode vlek achter op de grond. Een licht opwekkend/euforische effect wordt bij het gebruik van betelnoot geclaimd. Of het daadwerkelijk deze werking heeft weten we niet. We merken weinig aan de mensen die op de noot kauwen. Duidelijk is in ieder geval dat het gebruik van de betelnoot erg verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid.

Als er gevaar dreigt: dan toeter je. En als je gewoon zin hebt om te toeteren: dan toeter je ook.

Als we door het stadje Kawthaung fietsen opzoek naar een pinautomaat wordt er om ons heen veel getoeterd. De Birmezen houden van toeteren. Als je iemand inhaalt: dan toeter je om te laten weten dat je eraan komt. Als er gevaar dreigt: dan toeter je. En als je gewoon zin hebt om te toeteren: dan toeter je ook. Na enige tijd zoeken vinden we een pinautomaat. Enkele jaren terug, ten tijde van het militaire regime, waren er nog weinig tot geen pinautomaten in het land en moest je gladgestreken nieuwe dollarbiljetten meenemen. Tijdens de militaire junta zat het land zo goed als op slot en stagneerde de ontwikkelingen in het land. Sinds enkele jaren heeft de militaire dictatuur plaats gemaakt voor een (dubieuze) democratie en zijn de grenzen opengesteld. Het land kent nog veel problemen (denk bijvoorbeeld aan de vele conflicten tussen de verschillende etnische groepen die Myanmar rijk is), maar ontwikkeld zich rap. Nieuwe wegen worden aangelegd, een 4g netwerk is uitgerold en in de grotere steden zijn pinautomaten geïnstalleerd. Gek om te beseffen is dat Myanmar in vergelijking met Nederland enkele stappen heeft overgeslagen. Een telefooncel of vaste lijnverbinding hebben de meeste Birmezen bijvoorbeeld nooit gekend, terwijl een groot deel van de bevolking nu wel een smartphone met snelle 4g verbinding heeft. Het is te hopen dat Myanmar het hoge tempo waarin het zich ontwikkelt kan bijhouden.

Verboden te kamperen
Bij de pinautomaat die we hebben gevonden lukt pinnen helaas niet. Ook bij andere geldautomaten hebben we weinig succes. Gelukkig hebben we nog Thaise baht opzak die we kunnen wisselen voor Birmese Kyat. We kopen een lokale simkaart met 7 gb internet voor €3,- en gaan op zoek naar een hotel. Het liefst zouden we willen kamperen, maar dit is in Myanmar helaas verboden. Ook is het niet toegestaan bij locals te verblijven. Toeristen mogen enkel in geregistreerde accommodaties verblijven. De politie schijnt hier actief op te controleren en dus gaan we opzoek naar een hotel. Als we naar een hotel fietsen zien we een grote stoepa op een heuvel. Een stoepa is een boeddhistisch bouwwerk die de relieken van een heilige bevat. Birmese stoepa’s zijn vaak goud gekleurd, rond van structuur en gebouwd op een vierkante verhoging. Door het hele land heen staan duizenden stoepa’s. Het is dus zeker niet de eerste en laatste stoepa die wij zullen zien.

De volgende dag reizen we per bus naar Myeik. Het is een 11,5 uur durende rit waarin we slechts 400 kilometer afleggen. Liever waren we gaan fietsen, maar dat had ons veel tijd gekost die we graag besteden in andere delen van het land. Ons toeristenvisum geeft slechts 28 dagen toegang tot het grote land. Daarnaast is het gebied erg dunbevolkte en zijn er voornamelijk palmolie- en rubberplantages wat het fietsen minder interessant maakt. De busrit is bumpy. De weg is dan wel geasfalteerd, maar slecht geëgaliseerd. Daarnaast is het flink heuvelachtig zodat we in de bus heen en weer worden geslingerd. Onderweg stoppen we bij een restaurantje voor diner en maken we voor het eerst kennis met de Birmese keuken. We kunnen kiezen uit witte rijst + in vet drijvend vlees en zure groente. We missen het Thaise eten nu al...

Vanaf Myeik fietsen we naar het noorden. De fietsdagen kunnen we het beste omschrijven als ontzettend warm, heuvelachtig met af en toe slechte wegen en heel veel rubberplantages. Het zuiden van Myanmar wordt gedomineerd door deze rubberplantages. De rubberboom is een dunne, pierige boom met omhoogstekende takken. In deze tijd van het jaar heeft hij al zijn bladeren laten vallen wat een treurig landschap oplevert. Als we een vriendin vertellen over onze fietsavonturen stelt ze ons de vraag: ‘Als jullie dit van tevoren hadden geweten, waren jullie dan ook gegaan’? Over het antwoord hoeven we niet lang na te denken: jazeker!

Cultureel gezien is Myanmar een van de meest interessante landen die we hebben bezocht. Het is een van de minst ontwikkelde land in de regio. Het overgrote deel van de bevolking woont in eenvoudige bamboe-hutjes en leeft van landbouw en visserij. We zien veel glimlachende nieuwsgierige gezichten: mensen en kinderen die ons vriendelijk ‘mingalarbar’ (hallo) toe roepen. We zien onderweg mensen die zich wassen bij een waterpunt, chinlone spelende mannen (voetvolleybal met een badmintonnet ertussen), zwerfhonden, mannelijke/vrouwelijke en kindermonniken, lappen rubber die langs de kant van de weg hangen te drogen, kinderen die een oude scooterband gebruiken als hoepel, koeien die een kar trekken, vrouwen en mannen die een traditionele rok (longyi) dragen en honderden boeddhabeelden en gouden stoepa’s. En wat we het meeste zien? Heel veel vrolijke kinderen. Kinderen die bijna allemaal naar school gaan en een keurig groen wit uniform dragen. Fietsen door Myanmar is een ontzettend waardevolle ervaring. 

Iedereen op de fiets!
Als we op een middag verkoeling zoeken bij een klein cafétje horen we kinderen zingen. Martijn neemt poolshoogte en ziet dat een grote groep schoolkinderen het afsluitende lied van de dag zingt. Zodra ze klaar zijn met zingen stormen ze de school uit. Honderden kinderen met groen witte uniformen verlaten de school... op de fiets! Niet eerder zagen we zoveel kinderen bij elkaar en niet eerder zagen we zoveel fietsen. De kinderen zitten keurig rechtop hun stadsfiets, schoolspullen voorop in een mandje. Sommige kinderen glimlachen en zwaaien verlegen als ze ons voorbij fietsen. Een paar stappen af en beginnen nieuwsgierig onze fietsen te inspecteren. Niet veel later heeft zich een clubje kinderen om ons heen verzameld: ‘hello, where are you from’, where do you go’? Om de taalbarrière te doorbreken pakken we onze telefoon erbij en laten we foto’s van onze reis zien. Geïnteresseerd kijken ze toe. We proberen ze een paar woorden Engels te leren, omgekeerd proberen de kinderen ons Birmese woorden te leren. Na een tijdje zit ons ‘college’ erop, zeggen we de kinderen gedag en springen we net als de kids weer op de fiets. 

maar we kamperen toch!
Kamperen is dan wel niet toegestaan, toch doen we het af en toe stiekem (en noodgedwongen). In de gebieden waar we fietsen zijn weinig geregistreerde accommodaties, en als ze er zijn erg duur. Daarom kamperen we zoveel mogelijk en daarnaast is het gewoon het fijn om in ons eigen mobiele huisje te slapen. Soms is het een uitdaging een geschikte plek uit het zicht te vinden, maar over het algemeen vinden we snel een goede kampeerplaats. Zo kamperen we een paar keer in de jungle tussen de bananenbomen en grote dikke spinnen en in een open veld ver van de doorgaande weg. Af en toe vinden we ook minder mooie plekjes zoals die keer dat we in een rubberplantage in het donker onze tent moeten opzetten tussen moeilijk veel muggen. Een paar keer worden we gezien. Op een avond schijnt een grote lamp op ons. Het blijkt de eigenaar van het stuk grond waar we kamperen. We vragen of hij het goed vindt als we hier onze tent neerzetten. Een glimlach en een duimpje omhoog: geen probleem! Een andere keer worden we vroeg in de ochtend gewekt door mensen die rubber oogsten van de bomen rond onze tent. Gelukkig belt niemand de politie. 

Om tijd te besparen nemen we de trein van Kyaikto naar Yangon. Naja, tijd besparen. De trein rijdt niet veel harder dan wij fietsen. In 5,5 uur tijd leggen we slechts 200 kilometer af... Desondanks geen straf zolang in de trein te zitten: de rit is één grote belevenis! Voor €1,40 kopen we een kaartje voor de eerste klas. De fietsen kunnen met tassen en al in de achterste wagon. Enkele uren hobbelen we in een oude Britse trein (Myanmar is een Britse kolonie geweest) door het droge Birmese landschap. Geen airco - want dat kenden ze toen nog niet - maar open ramen en wapperende gordijntjes. Door de trein lopen vrouwen met schalen vol eten op hun hoofd. Kinderen die flessen water verkopen en mannen die koffie & thee aan de man proberen te brengen. Op de houtenbankjes in de tweede klas zitten hele families urenlang. Enkele kinderen liggen op een matje op de grond te slapen. Een monnik leest een boek. Buiten wordt het landschap steeds vlakker en droger.

Grote villa’s, golfplaten en plastic soep
Als we Yangon binnen rijden vallen de enorme tegenstellingen op. Langs het spoor zien we armoedige huisjes met golfplaten daken. Kinderen in voddige kleding en plastic soep in de sloten. Verderop zien we hoge muren met daarachter grote villa’s. Het blijkt maar weer dat de loterij van het leven ontzettend oneerlijk is verdeeld. 

Als we aankomen op het station moeten we de fietsen en bagage enkele trappen op en af tillen, daarna begeven we ons in het drukke verkeer van Yangon. Tien jaar geleden had nog bijna niemand een auto, nu rijden er aardig wat rond en daarop zijn de wegen niet berekend. Het verkeer staat vaak muurvast. We banen ons een weg door het verkeer en fietsen naar het huis van Mart. Een collega van Martijns broer, waar we een paar nachten mogen logeren. Lang blijven we niet in Yangon, want we gaan zonder fiets en met de bus op ‘mini-vakantie’ naar Bagan!

De 2.200 tempels van Bagan
Bagan behoort tot een van de meest bijzondere plekken waar we ooit zijn geweest. Ongeveer 1000 jaar geleden versloegen de Birmezen onder leiding van koning Anawratha het Mon-koninkrijk uit het zuiden. De koning verenigde het land, maakte Bagan de hoofdstad van het rijk en gaf opdracht tot het bouwen van een tempel aan de oever van de Irrawaddy rivier. In de twee eeuwen die volgden werden er meer dan 10.000(!) tempels (pagodes) en stoepa’s bijgebouwd. Na twee honderd jaar hysterisch tempels bouwen, raakte de schatkist leeg. Toen de Mongolen in de dertiende eeuw voor de deur stonden hadden de Birmezen geen geld meer voor hun eigen verdediging. Ze kozen eieren voor hun geld en verlieten hun vaderland om er nooit meer terug te keren. In de eeuwen erna zijn veel bouwwerken verloren gegaan. Toch torenen er tegenwoordig nog meer dan 2.200 tempels uit 16 km2 Birmese zandgrond omhoog. 

Wij huren de eerste dag een fiets en de twee dagen erna een elektrische scooter. Drie dagen dwalen we van stoepa, naar tempel en pagode. Het is heerlijk om zelf je route en tempo te kunnen bepalen. Er zijn een paar toeristische tempels die we pas ’s avonds bezoeken als het rustig is. We rijden over zandweggetjes naar eenzame tempels. We bewonderen de tempels bij zonsop- en ondergang. In de ochtend zien we enkele tientallen luchtballonnen boven het gebied varen. De tempels lijken op elkaar, maar zijn allemaal net even anders. De grote tempels zijn van goud, andere tempels zijn opgebouwd uit bakstenen en sommige zijn beschilderd. Soms zit de deur van een tempel op slot en komt er iemand aangelopen met een sleutel. De eerste tempel die we bezoeken is misschien wel de mooiste. Een vriendelijke vrouw doet het hek voor ons open en geeft ons een rondleiding. We doen onze schoenen en sokken uit en Mariëlle slaat een longyi om. Een grote entree leidt tot een metershoog beeld van Boeddha. Een straal zonlicht die via de ingang de donkere tempel binnendringt zet Boeddha in het licht. Met een zaklamp verlichtten we de beschilderingen op de stenen muren van de tempel. De tempel is vele boeddha beelden rijk. Elke boeddha heeft een andere gezichtsuitdrukking en houding. Het is een magische plek. 

Thanaka van Susu
Na Bagan gaan we via Yangon met de trein naar Moulmein. Vanaf daar fietsen we in drie dagen tijd over hobbelige en stoffige wegen vol gaten naar de Thaise grens. In Hpa-an ontmoeten we de Nederlandse fietsers Robert & Lynn en in Kawkareik hebben we met de Franse fietsers Benjamin & Florence afgesproken. B&F hebben geregeld dat we ’s avonds bij warmshower-host Susu kunnen dineren. Susu is een lieve vrouw die vanwege de regel van de overheid geen fietsers kan hosten, maar wel fietsers bij haar thuis voor diner kan uitnodigen. Als we in haar houten huisje aankomen heeft ze al een groot gedeelte van het diner voorbereid. We helpen haar met de laatste voorbereidingen, smullen daarna van een tafel vol lekkernijen en spreken over Myanmar. Als we op het punt staan terug te keren naar het hotel nodigt Susu ons uit voor ontbijt de volgende ochtend. En zo staan we de volgende ochtend opnieuw in haar houten huisje. Op onze laatste dag in Myanmar zorgt Susu voor de complete Myanmar ervaring. Ze bereidt een mengsel van Thanaka en smeert onze gezichten ermee in. Het kriebelt als de substantie opdroogt. Martijn merkt op dat hij weleens betelnoot wil proberen. Even later Susu loopt naar buiten en komt terug met een pakketje betelnoot. Martijn stopt het pakketje in z’n mond. Al snel heeft hij het uitgespuugd. Erg lekker smaakt het niet. Een licht opwekkend/euforische effect houdt hij er niet aan over, wel rode tanden. Dan is het tijd op te stappen. We nemen afscheid van B&F, Susu én van Myanmar. Nog 50km en dan zijn we terug in Thailand.

Op en neer in Noord-Thailand 
We hebben een mooie, interessante en bijzondere tijd in Myanmar gehad, maar stiekem is het fijn terug te zijn in Thailand. Reizen door Thailand gaat een stuk makkelijker: we mogen legaal wildkamperen, er zijn veel restaurantjes met goedkoop én lekker eten, de wegen zijn van goede kwaliteit etc. Het enige wat minder makkelijk gaat worden, is het fietsen. Vanaf Mae Sot fietsen we naar het noorden en doorkruizen een bergachtig gebied. Er staan ons pittige en warme fietsdagen te wachten... 

We sluiten de dag af met 1.800 hoogtemeters. Het is een van de zwaarste fietsdagen van de reis. 


Als we de volgende dag omhoog klimmen, kijken we hoopvol naar onze versnellingsschakelaar. Helaas, lager dan versnelling 1 kunnen we niet. We klimmen af en toe meer dan 15%. Met de racefiets al een hele uitdaging, met een 50 kg zwaarwegende toerfiets bijna onmogelijk. Het is zo’n klim waarbij als je halverwege op adem wilt komen, je nog nét kan uitklikken voordat je omvalt. Een regel hebben we afgesproken: afstappen en duwen gaan we niet. En dus zigzaggen we langzaam, heel langzaam naar boven. Met een rood uitgeslagen bokkend hoofd slaan we een halve liter water naar achteren. De moraal is laag: 50 meter afdalen, daarna 50 meter stijl omhoog. We sluiten de dag af met 1800 hoogtemeters. Het is een van de zwaarste fietsdagen van de reis. 

In de fietsdagen die volgen maken we rond de 10.000 hoogtemeters. We kamperen in rijstvelden en bij tempels. De wegen zijn tot aan Mae Hong Son rustig, daarna wordt het drukker op de weg en worden we vaak ingehaald door toeristen op scooters. Het is erg warm en we drinken meer dan 8 liter water per dag. Op nog maar een paar fietsdagen van Chiang Mai eist het vele fietsen z’n tol. Eerst voelt Martijn zich slap, koortsig en heeft hoofdpijn. Twee dagen later ligt Mariëlle de hele dag ziek in bed. Gelukkig duurt het ziek-zijn niet veel langer dan 1 a 2 dagen en kunnen we onze weg naar Chiang Mai vervolgen. We klimmen een paar laatste bergen omhoog, daarna volgt een lange afdaling tot aan het dal. 

Ravitaillering in Chiang Mai - op jacht naar een Chinees visum
Ondertussen zijn we al een tijdje in Chiang Mai. Een supertoeristische stad waar we liever met een grote boog omheen waren gefietst. Maar we hebben een pakket vanuit Nederland naar de stad laten opsturen met nieuwe banden, een waterfilter en meer, en dus moeten we erheen. Daarnaast zijn we naar de stad gekomen om ons Chinees visum aan te vragen. Ondertussen zijn we tweemaal bij het Chinese consulaat geweest. Helaas zonder succes. Omdat onze aanvraag afwijkt van de ‘standaard-toeristen’ procedure (we vroegen een non-business visa aan vanwege een uitnodiging van de gemeente Tianjin) gingen schijnbaar alle alarmbellen rinkelen. Onze aanvraag werd geweigerd en we kregen te horen dat we het in Bangkok konden proberen. Die stad ligt niet op onze route en dus gaan we het in Laos opnieuw proberen. Dan kiezen we voor de standaard toeristenvisa procedure. Hopelijk gunnen de Chinezen ons daar wel een visum. Want zonder visum geen Xi’an of Tianjin. Maar laten we ervanuit gaan dat alles verloopt volgens plan. Dan steken we rond half/eind maart de grens over naar... China!

La gon krab,
M&M





10056 km
Wie gaat er winnen?
Martijn en Mariëlle: 10056 km
Groningers: 0 km
We hebben al 396 kinderfietsen. Help ons de 500 te halen!
Doneer een fiets