Van sneeuwwit naar tropisch groen

13-12-2018, Balik Pulau, Maleisië

Misschien niet zo gek maar hoe verder wij van huis verwijderd raken, hoe vaker we eraan terugdenken. We denken dan aan familie, vrienden, een warme douche, een wandeling door het Noorderplantsoen, een kopje koffie bij Spaak, een ritje door het Hoogeland of de hei in Drenthe en een bord aardappels, vlees en groente. Sinds dat we in mei zijn vertrokken, zijn we door 19 landen gekomen. We hebben voornamelijk de verlaten landweggetjes opgezocht maar hebben ook enkele steden aangedaan. Hoe meer we zien hoe sterker het gevoel wordt dat onze eigen stad een beste plek is om te leven. Bijna nergens wordt zoveel gefietst als in Groningen. Voor ons en jullie is het vanzelfsprekend maar als je maandenlang door het buitenland fietst leer je wel anders. Het maakt een ontzettend verschil; de lucht is schoner, het is rustiger op straat, er is minder geluid en misschien nog wel het belangrijkste van allemaal: de mensen zijn gezonder en gelukkiger. Maar niet alleen de fiets maakt het verschil. Nederland en Groningen zijn welvarend. Het contrast met veel andere plekken die wij hebben bezocht is groot. Het is oneerlijk verdeeld in de wereld en de rijkdom van het Westen is voor een aanzienlijk deel te danken aan de uitbuiting van andere delen van de wereld. Maar ondanks dat Nederland welvarend is en Groningen een fijne een plek om te leven zijn er ook in onze thuisstad problemen. Wereldwijd worden de verschillen tussen arm en rijk in steden groter en zelfs de parel van het noorden ontkomt daar niet aan. Meer gezinnen hebben minder geld voor alledaagse dingen als kleren, schooltas of een fiets. Om een klein steentje bij te dragen vragen wij met onze fietstocht aandacht voor dit probleem. Op moment van schrijven hebben we al 178 kinderen blij kunnen maken en met dat idee fietsen we met een glimlach rond. Voor ieder kind een fiets!

Trap mee met de Kerstactie - Vismarkt zat 22 december

Donderdag werd (live op RTV Noord) de kerstboom op de Grote Markt 'aangefietst' door kinderen van de SKSG, de kinderopvangorganisatie die onze actie heeft geadopteerd. Als aftrap voor de kerstactie van Fietsen voor kinderfietsen: De zaterdag voor Kerst worden op de Vismarkt fietsen ingezameld. Ligt er nog eenzame fiets weg te stoffen in de schuur of op zolder? Doneer en trap met ons mee! Info: Klik!

Hier onder lees je ons laatste reisverslag.  

__

Osh (Kirgizië) - Dansen met de huisbaas en weer verder

Het is halverwege oktober en de zon schijnt in Osh. We zijn hier een aantal dagen om de vorige blog te schrijven, kleren te wassen, nieuwe schoenveters te kopen en nog zowat. We hebben een kamer bij een Kirgizische familie in huis. Op een avond wordt er woest op de deur gebonkt. Wij schrikken en doen voorzichtig de deur open. Aan de andere kant staat de huisbaas volledig bezopen op zijn benen te waggelen. Hij maakt wilde gebaren en slaat onverstaanbare taal uit. Na een tijdje begrijpen wij dat zijn dochter in het huwelijk treedt en dat wij worden uitgenodigd voor het feest. Dan begint hij te dansen en neemt Mariëlle bij de hand. Ook Martijn moet mee komen gebaart hij. In de tuin staan jongens en meisjes, mannen en vrouwen in een kringetje te dansen op karakteristieke muziek die je overal in Centraal-Azië hoort. Om de beurt wordt er iemand in het midden geduwd. Ook wij ontkomen er niet aan. Gelukkig hebben we al 3 glazen cognac achter de kiezen en is de boel al wat losser. Na het dansen mogen we aanschuiven bij het feestmaal. Nooit eerder hebben we een tafel gezien die zo uitgebreid is gedekt. Noten, dadels, ronde broden met sierlijke patronen, chocolaatjes, kaviaar, allerlei soorten fruit, verschillende salades en in het midden van de tafel, als een kers op de taart: een schapenkop. De verdere avond bestaat uit toasten en zingen met de accordeon.

Na meer dan een week in Osh stappen we weer op de fiets. Het valt ons zwaar. We moeten mentaal en fysiek weer wennen. Fysiek aan het vele fietsen. Mentaal aan de dagelijkse zoektocht naar bed en brood. De eerste dag fietsen we direct en noodgedwongen 120 kilometer. Jalalabad is de enige plek waar we een guesthouse kunnen vinden en de komende twee dagen gaat het volgens de weersvoorspelling onophoudelijk regenen en sneeuwen. Als het stopt met sneeuwen vervolgen we onze weg langs de grens met Oezbekistan. We fietsen langs velden met katoen en paprika’s. De weg gaat op en neer en dat is altijd het zwaarst omdat je nooit goed in een ritme komt. We slapen in vervallen en smerige Sovjet-hotels maar ook in gezellige guesthouses waarvan de wanden zijn behangen met kleurige Kirgizische wandkleden. 

Na een tijdje laten we de akkers achter ons en gaan we de bergen in. We fietsen langs een stuwmeer. De vallei maakt een doodse indruk. Op een gegeven moment is ergens een dam geplaatst waardoor alle tekenen van leven zijn verdwenen. Dorpen en vegetatie verdrinken. Het is al dagen bewolkt en we zitten beide nog steeds niet vrolijk op de fiets. Na een tweetal dagen onophoudelijk klimmen en dalen – waarbij we wel de nodige hoogtemeters stijgen – kunnen we onze benen even stilhouden en afdalen. Als we vervolgens een eerste glimp opvangen van het Toktogul meer is alle melancholie plotsklaps verdwenen. Het grote meer is gevangen tussen wit besneeuwde toppen. Aan de oever ligt een bos met bomen waarvan de bladeren vervallen in herfstkleuren. Het is een prachtig plaatje en een geweldig kleurenpallet: het wit van de wolkjes in de lichtblauwe lucht komt terug in de besneeuwde pieken van de bergen; het meer ziet azuurblauw en aan de oever is het een kleurenorgie van geel, groen, bruin, rood en oranje. We nemen intrek in het enige Sovjet hotel en genieten ’s avonds van een spectaculaire zonsondergang die het plaatje nog mooier maakt. De volgende dag schijnt de zon zonder een wolkje in de lucht. Het meer is groot en we moeten er helemaal omheen om aan de andere kant te komen. We fietsen die dag meer dan 80 kilometer, heuvel op en af, 800 hoogtemeters en schieten er netto gezien (hemelsbreed) 15 kilometer mee op. Maar het is niet erg want elke blik op het meer vanuit een andere hoek is de moeite meer dan waard. 

Na het Toktogul meer begint het klimmen pas echt. Het Tianshan gebergte dat begint in het Noord-Westen van China en in horizontale richting doorloopt tot Oezbekistan, doorkruist het noorden van Kirgizië. Het gedeelte van het gebergte in Kirgizië en Kazachstan wordt de Alatau genoemd. Iedereen die naar de hoofdstad Bishkek – of gewoon in de richting van het noorden – wil, moet deze barrière van bergen trotseren. 

De doorgaande weg naar Bishkek gaat over twee passen van meer dan 3000 meter. Vanaf het Toktogul meer fietsen we door de Cyckhan vallei richting de eerste pas. Van tevoren hebben we de kaart bestudeerd en gezien dat er verschillende hotels langs de weg omhoog liggen. We willen liever niet kamperen want in deze tijd van het jaar kan het boven de 2000 meter met gemak meer dan 15 graden vriezen. Het toeristenseizoen is al geëindigd en de kans bestaat dat de hotels gesloten zijn. We doen navraag bij de gastheer van ons guesthouse en hij verzekert ons dat we niet in ons tentje op de berg hoeven te bevriezen. Volgens hem is er nog wel een hotel open en mocht dat niet zo zijn, dan zijn er altijd nog honingverkopers die ons aan een warme slaapplek kunnen helpen. 

“We zweten liever peentjes dan dat we rillen in de kou

Gerustgesteld en met genoeg eten in onze fietstassen beginnen we aan de klim. De weg voert ons door een prachtige vallei, het zonnetje schijnt en de stijging is heel geleidelijk; perfecte omstandigheden. We gaan vroeg op zoek naar een slaapplek. Helaas zijn alle hotels die we onderweg tegenkomen al gesloten. Maar niet alleen de hotels zijn gesloten, ook de mensen die honing verkopen en leven in trailers hebben hun biezen gepakt en wachten beneden op de lente. We balen en bedenken dat er niet anders op zit dan toch te gaan kamperen. Martijn gaat op zoek naar een plek voor de tent en hout voor een vuur. Mariëlle kijkt op de kaart en ziet even verder nog een allerlaatste huis. We besluiten om naar dat huis te fietsen en – mochten er mensen zijn – te vragen of daar misschien een slaapplek voor ons is. Als we aankomen bij het huis brandt er gelukkig licht; een teken van leven. We kloppen op de deur en een man doet verbaasd open. Via onze telefoon en google translate vragen we in het Russisch of hij misschien een plek heeft waar wij binnen kunnen overnachten. Er komt een andere man bij, ze overleggen even en dan knikken ze naar ons. We slaken een zucht van verlichting. Het huis bestaat uit een lange gang met links en rechts kleine vertrekken. Overal in de gang liggen blokken hout die bestemd zijn voor de kachels in de vertrekken. De man die opendeed biedt ons zijn kamer aan en legt matrassen op de grond die overal in centraal Azië worden gebruikt (langgerekt stukken stof met zachte vulling en kleurrijke patronen erop). Daarna stookt hij de kachel flink op. De man blijft maar – vanaf de gang – hout in de kachel gooien en het wordt zo warm dat het kleine kamertje verandert in een sauna. Maar we zweten liever peentjes dan dat we rillen in de kou. 

'Hands in the pants'

De volgende dag kronkelen we door een wit besneeuwd berglandschap verder omhoog. De weg wordt steiler en de lucht ijler. De versnelling kan niet lager en we happen naar adem. Maar zoals altijd geldt; hoe zwaarder de beklimming hoe groter het gevoel van euforie en tevredenheid boven op de top. 

Vanaf de top van de Alabel pas (3.184m) duiken we de Suusamyr vallei in. We hebben ons dik aangekleed maar het maakt niet veel uit; we hebben het steenkoud. Dat komt vooral door de koude wind en omdat we amper bewegen in de afdaling. We stoppen geregeld om onze handen en voeten op te warmen. Het is vooral belangrijk dat onze handen niet te veel verkrampen opdat we nog kunnen remmen. Voor ons een geldig excuus om af en toe onze ‘hands’ in onze ‘pants’ te stoppen. 

De volgende dag staat alweer de volgende beklimming op het programma. Van andere fietsers hebben we gehoord dat zich boven aan de pas een tunnel bevindt die NIET fietsbaar is en dat je moet proberen een lift te regelen. We besluiten dat als we sowieso een lift moeten zoeken, we dat dan beter beneden dan boven aan de berg kunnen doen. Mariëlle (niet geheel toevallig) gaat langs de weg staan en wenkt (vrachtwagen)chauffeurs om ons mee te nemen. Wetenswaardigheidje: in Europa gebruik je een duim om een lift aan de vragen; in Centraal-Azië beweeg je de hele hand op en neer alsof je de auto’s tot stilstaan maant of je steekt je wijsvinger uit. Binnen 2 minuten hebben we een lift. Een man in een Mercedes busje stopt. We hoeven niet uit te leggen welke kant we op willen want er is maar één weg. We leggen de fietsen op een lading accu’s achter in het busje en stappen beide voorin. In ons beste Russisch en met handen en voeten leggen we uit waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan. 

Mensen die hier gaan fietsen zijn niet goed wijs of levensmoe”

Wanneer we de tunnel inrijden zijn we opgelucht dat we het advies van de andere fietsers hebben opgevolgd. Twee auto’s kunnen elkaar amper passeren; twee auto’s en een fietser gaat nooit lukken. Er is amper verlichting, geen ventilatie, het wegdek is slecht, de lucht is stoffig, de weg gaat omhoog en de tunnel is meer dan 5 kilometer lang. Mensen die hier gaan fietsen zijn niet goed wijs of levensmoe. Aan de andere kant van de tunnel vragen we aan de chauffeur of hij ons eruit wil laten. Hij kijkt ons verbaasd aan en zegt dat we rustig kunnen blijven zitten en dat hij ons graag naar Bishkek wil brengen. Wij proberen hem uit te leggen dat we graag fietsen en al helemaal naar beneden. Hij begrijpt er niks van maar helpt ons wel de bus uit. We bedanken hem vriendelijk en kleden ons weer dik aan in voorbereiding op een lange afdaling van meer dan 2000m. 

De Töö Ashuu pas (kamelenpas) is – net als de route die achter ons ligt – onderdeel van het netwerk van oude handelswegen dat de zijderoutes wordt genoemd. We zien geen kamelen op de pas maar wel een heleboel paarden. Kirgizië is het land van de paarden. Lang geleden was al bekend dat in dit deel van Centraal-Azië de beste paarden werden voortgebracht. Vooral de Chinezen wisten dat en dreven maar al te graag handel met de steppevolkeren die in dit gebied leefden. De beste en duurste paarden kwamen uit de Fergana vallei die omringt wordt door de hoge bergen van de Tianshan en de Pamir. Volgens de Chinezen stamden de paarden af van draken en zweetten de dieren bloed. De werkelijke reden voor de rode afscheiding van de paarden – zo bleek later -  was een lokale parasiet of het feit dat de paarden ongewoon dunne bloedvaten hadden die tijdens inspanning snel knapten. De Chinezen kochten de paarden van de steppevolkeren bij duizenden en betaalden met onder andere met zijde.

Op de weg die met tientallen haarspeldbochten naar beneden kronkelt, lopen grote kuddes paarden. De paarden lopen kriskras over de weg. De kuddes worden bij elkaar houden door mannen op grote paarden met grote hoeden, lange leren jassen en smalle ogen. De groepen paarden worden af en toe doorkruist door een Lada (typisch vierkante auto uit de tijd van de Sovjet-Unie) of een vrachtwagen (meestal met Nederlands, Duitse of Zweedse teksten erop). Het is ‘free for all’ en je moet zelf maar zien hoe je er langskomt. Dat geldt ook voor ons. Al zigzaggend manoeuvreren wij ons tussen de paarden door. Het is leuk om te doen en we genieten van het typische Kirgizische tafereel: witbesneeuwde bergen, paarden, herders en lada’s. 

Urenlang fietsen we naar beneden. Het is bijzonder om te ervaren hoe moe je kunt worden van afdalen. Voortdurend inschatten hoeveel je moet remmen om de bocht goed door te maken en constant de weg afspeuren op gaten kost veel energie. Het is ook bijzonder het verschil in temperatuur op verschillende hoogtes te voelen. Al snel springen we van de fiets om veel van onze kleding uit te doen omdat we het veel te warm hebben. Als we rond de 1000m fietsen hebben we alleen nog een korte fietsbroek en een T-shirt aan. Die avond kamperen we voor het eerst in lange tijd. We slaan ergens een ‘boerenlandweggetje’ in en vinden een mooi plekje naast de rivier. Mariëlle zet de tent op en Martijn zoekt hout voor het vuur. We warmen de plov op die we vanochtend al hebben gekocht en de rest van de avond brengen we door rondom het kampvuur terwijl we muziek luisteren (we hebben een kleine speaker mee) en kijken naar de sterrenhemel. 

Het Hoogeland van Kazachstan

De volgende dag fietsen we naar Bishkek, de hoofdstad van Kirgizië. Het is een jonge stad die pas na de Tweede Wereldoorlog echt is opgebouwd. De stad is erg groen. De grote brede lanen – typisch voor een Sovjetstad – staan vaak vol met bomen. Met de bladeren in herfstkleuren is het een mooi gezicht. Zoals in veel steden uit de voormalige Sovjet-Unie vinden we een standbeeld van Lenin (echter wel verplaatst naar een minder prominente plek) en grote, pompeuze overheidsgebouwen. Aan de horizon torenen de pieken van het Alatau gebergte (meer dan 4000m) hoog de lucht in. 

Volgens de weersvoorspelling hebben we 3 dagen om naar de volgende stad te fietsen voordat het gaat vriezen en sneeuwen. We moeten ongeveer 300 kilometer fietsen dus -voor de snelle rekenaars onder ons- 100km per dag. Al snel komen we bij de grens tussen Kirgizië en Kazachstan. De douanier grapt door een gebaar te maken van een pistool en een (drugs)spuit en vraagt lachend of wij die voorwerpen bij ons hebben. Wij snappen dat hij een grapje maakt, maar zijn toch een beetje op onze hoede. Hij gebaart dat we door kunnen fietsen en wenst ons een prettige reis. 

Het landschap verandert snel in een steppe. Het doet ons een beetje denken aan het Grunniger Hoogeland. Net zo vlak met net zulke mooie luchten. We fietsen flink door. Elke nacht kamperen we en elke nacht maken we een kampvuur om ons warm te houden. Als we ’s avonds laat Almaty binnen fietsen begint het te regenen. De volgende ochtend is de stad bedekt onder een dikke laag sneeuw. 

Schaatsen op de legendarische Medeu-baan

Almaty is een bijzondere stad. Het is de grootste stad van Kazachstan maar niet de hoofdstad (dat is Astana in het noorden). De stad is gebouwd aan dezelfde uitlopers van het Alatau gebergte waar ook Bishkek aan grenst. Wij vinden het fantastisch dat de stad zo dicht bij de bergen ligt. Op het ene moment staan we in het drukke centrum van de stad en een taxirit van 30 minuten later brengt ons bij een betoverend mooi bergmeer op een rustige plek tussen de bergen. 

De meeste mensen op leeftijd in Nederland (gevaarlijke uitspraak) vragen ons of wij nog een rondje gaan maken op de schaatsbaan Medeu. Ten tijde van de Sovjet-Unie zijn daar menig records door landgenoten uit de boeken gereden. Met Nederlands en zelfs Fries bloed in onze aderen kunnen wij het natuurlijk niet laten om een rondje te wagen. We kunnen helaas alleen ijshockey schaatsen huren en het ijs is niet in de beste toestand. Maar het glijdende gevoel (voortbewegen zonder te hoeven trappen!) en het uitzicht vanuit het stijlvolle Sovjetstadium op de omgelegen bergen is het meer dan waard. 

Onze laatste dag in Almaty en in Centraal-Azië vieren we op de piste. Het Shymbulak ski-resort is net geopend. We huren voor relatief weinig geld skimateriaal en gaan 25 keer de enige rode piste op en neer. Diezelfde avond hebben we een vlucht die ons naar een heel ander deel van de wereld brengt. Het wordt te koud in deze regionen en daarom gaan we overwinteren in Zuid-Oost Azie. Diezelfde avond vliegen we naar Kuala Lumpur, de hoofdstad van Maleisië. Als we de volgende morgen het vliegtuig uitstappen is het verschil in vele opzichten groot. 

We gaan van de vriestemperaturen naar 30 graden plus; van sneeuw en droge lucht naar felle zon en hoge luchtvochtigheid; van een kaal landschap met weinig vegetatie naar regenwouden en zeeën van groen; en van plov en yaks naar nasi goreng en apen. 

Als we vanaf het busstation naar ons hostel fietsen merken we na ongeveer 5 minuten op dat alle auto’s ons links inhalen. We denken even na en dan valt het kwartje. We zijn in Maleisië, een voormalige Engelse kolonie en daar rijden ze natuurlijk aan de linkerkant van de weg. We wisselen snel van rijbaan en moeten lachen om onze eigen naïviteit.

"Dan blaast de baviaan de aftocht" 

De eerste indruk van Kuala Lumpur, Maleisië en de tropen is overweldigend. Overal zien we exotisch groen. Palmbomen met kokosnoten, bomen met mango’s, bananenbomen en planten die in Nederland alleen op kamertemperatuur groeien. In een vijver zwemt een ‘monitor’ leguaan; familie van de beruchte komodo varaan. Vlinders in felle kleuren vliegen om ons de oren. Langs de kant van de weg zien we voor het eerst apen in het wild. Ze komen nieuwsgierig uit het groen tevoorschijn om te kijken of er nog wat valt te eten. De grootste aap laat zich gewillig fotograferen totdat Martijn te dichtbij komt. Met ontblote tanden komt hij op hem afgerend. Net op tijd deinst Martijn achteruit. Hij is gewaarschuwd.  Als we verder fietsen breekt de hemel open. Het is onze eerste tropische regenbui en er zullen nog vele volgen. Binnen no-time zijn we doorweekt maar we vinden het niet erg want het voelt verkoelend. 

Spacy Singapore
Vanuit Kuala Lumpur maken we met de bus een uitstapje naar Singapore (de fietsen laten we achter bij de familie waar we verblijven via Warmshowers). Singapore is een stadsstaat aan het onderste puntje van het Maleisische schiereiland. De staat is gesticht in de achttiende eeuw door de Engelsen en rijk geworden door de handel. Niets is hier te gek. In het centrum verreist de ene na de andere glanzende wolkenkrabber. Aan de andere kant van de baai is een enorm hotel in de vorm van een schip gebouwd. Op drie reusachtige pilaren vol met hotelkamers ligt het dek waar de gasten kunnen zwemmen en genieten van het uitzicht op de indrukwekkende skyline. Achter het hotel liggen de Gardens by the Bay. Kunstmatig gecreëerd land met daarop de twee grootste kassen ter wereld en metershoge kunstbomen die elke avond ontsteken in licht dat verandert van kleur op de maat van de muziek. Het klinkt allemaal absurd en wellicht is het dat ook, maar we kunnen niet ontkennen dat het mooi gemaakt is. De Gardens by the Bay zijn een geweldige combinatie van natuur en architectuur dat als nobel doel heeft mensen te informeren over de (negatieve gevolgen) van de klimaatverandering. In de Cloud Dome is een berg met een regenwoud inclusief waterval en bijbehorende bloemen en planten gecreëerd. De bezoekers lopen over paden die langs en door de berg kronkelen en aanschouwen een wondere wereld van vleesetende planten, orchideeën in alle kleuren en vormen en heuse waterval. 

Maar Singapore wordt niet enkel gekenmerkt door rijkdom en moderne architectuur. Het is ook een interessante stad vanwege de verschillende culturen die naast en met elkaar leven. Dit geldt overigens niet alleen voor Singapore maar ook voor Maleisië. Maleisiërs, Chinezen en Indiërs delen de beide landen. In elke grote stad – of het nou Ipoh, Singapore of Georgetown is – vindt je Chinatown en Little India. De steden staan vol met Moskeeën, Hindoetempels, Boeddhistische tempels en kerken. Overal op straat kan je nasi goreng (Maleis), nasi kandar (Indisch) of fried rice (Chinees) krijgen. En het gaat allemaal (ogenschijnlijk) vredig en vrolijk met elkaar om. Daar kunnen we in Nederland – waar de multiculturele samenleving al decennialang het politieke debat domineert – nog een puntje aan zuigen. 

In the jungle 

Na eventjes de toerist te hebben uitgehangen stappen we weer op de fiets. Vanuit Kuala Lumpur zetten de koers richting de bergen. Door het vochtige klimaat is het niet ideaal om te kamperen. De volgende ochtend is alles – de slaapzak, kleren en de tent – nog vochtig. De eerst dag kloppen we aan bij de brandweer en vragen om een slaapzak. De brandweerman raadpleegt zijn chef en geeft ons daarna toestemming. We krijgen zelfs een eigen kamer. 

De volgende dag klimmen we naar Frasers hill (1200m). De berg is genoemd naar een Schotse avonturier die in de 18e eeuw de jungle trotseerde op zoek naar waardevolle grondstoffen. Hij vond tin boven op de berg en nam werknemers met ezels in dienst die de mineralen van de berg naar beneden transporteerde. De kolonist, gehaaid als hij was, creëerde tevens een plek om te gokken en opium te roken zodat hij het salaris dat hij aan zijn werknemers betaalde grotendeels weer terugverdiende. Fraser verdween zonder spoor en zijn tin-onderneming werd verzwolgen door de jungle. 

Dit verhaal maakt de ervaring voor ons nog mystieker. We kronkelen door het allesomvattende groen naar boven. De jungle is overal. Apen huppelen over de weg en  springen van tak naar tak. Vlinders vliegen een klein stukje met ons mee. Tropische vogels in alle kleuren fluiten ons na. Bovenop de berg vinden we een clocktower, een paar Engelse huisjes en een golfbaantje. Als we weer naar beneden gaan is de berg in nevelen gehuld. Er heerst totale stilte op het geroep van apen na. Het zijn gibbons of slingerapen. Helaas kunnen we ze alleen horen en niet zien. We zigzaggen naar beneden en na de zoveelste bocht zit daar opeens een grote, gespierde aap op de weg. Hij kijkt ons dreigend aan en ontbloot zijn scherpe tanden. Aan de grond genageld blijven we staan. Een beetje bang wachten we af wat hij gaat doen. Hij blijft zitten en houdt ons nauwlettend in de gaten. De stand-off duurt 5 minuten. Dan blaast de baviaan de aftocht. Opgelucht maar nog wel op onze hoede fietsen we snel verder. 

Dodelijke doerian

De komende dagen fietsen we verder richting de volgende heuvels van de Cameron Highlands. We fietsen door jungle en palmplantages. Onderweg eten we doerian, de trots van de Maleisiers. De vrucht is zo stekelig dat sommige mensen handschoenen gebruiken om hem te bereiden. De doerian is berucht om twee redenen. Allereerst om zijn smaak en geur. Als we fietsen kunnen we het kraampje waar ze de vruchten verkopen al van verre ruiken. Het is een penetrante, zoete geur. Wij vinden het niet onaangenaam; wel heel erg aanwezig. De tweede reden is dat de doerian doodt. De vrucht groeit aan een boom die 20 of 30 meter hoog kan worden. De doerian valt naar beneden als hij rijp is. Krijg je die doerian op je hoofd dan is de kans groot dat je het niet na kunt vertellen. 

Die dag fietsen we meer dan 100 kilometer. Als we een slaapplek zoeken, kunnen we die niet vinden. Het is al donker en we zijn moe en doorweekt. Hopeloos staan we langs de kant als er een man op een scooter stopt en vraagt of we hulp nodig hebben. We leggen uit dat we een slaapplek zoeken en zonder te aarzelen nodigt hij ons uit bij hem thuis. Diezelfde avond neemt hij ons mee naar de ‘nightmarket’ en trakteert hij ons op satay en drankjes. De volgende ochtend eten we nasi lemak met het gehele gezin. Voordat we vertrekken krijgen we zakken met eten in onze handen gedrukt voor onderweg. Het enige wat we terug kunnen doen is een lief kaartje schrijven en met iedereen op de foto gaan. Het is een goed voorbeeld van de gastvrijheid van de Maleisiërs. Wij komen tot de slotsom de mensen in Islamitische landen (Turkije, Iran, Tajikistan en Maleisië) het meest gastvrij zijn.

Klamme karaokecamping
De fietsomstandigheden zijn pittig in Maleisië. Het land ligt op de evenaar en daarom is de zon zeer sterk. Bovendien moet je – vaak aan het einde van de middag – rekening houden met veel regen, donder en bliksem. Als we naar de Cameron Highlands klimmen raken we meerdere keren oververhit. We stappen af met hoofden rood als een tomaat. Martijn verbrandt zijn rug omdat hij een tanktop aanheeft. We drinken en zweten meer dan 6 liter water. Die avond plaatsen we onze tent op het verlaten karaokepodium naast een Chinese tempel. 

De Cameron Highlands liggen op een hoogte tussen 1200 en 1500m. Het is aanmerkelijk koeler en ook natter dan in lagergelegen gebieden. De omstandigheden zijn goed om verschillende groente en fruit te verbouwen zoals aubergine, kool en aardbei. Maar waar de hooglanden echt bekend om staan zijn de velden vol thee. De groene heuvels vormen een prachtig gezicht. Tussen de theestruiken zijn paden gemaakt. Van boven ziet het eruit als een groot doolhof of en een geschubde huid van een gifgroene slang. 

Vanaf de hooglanden dalen we af door de jungle. Het is een perfecte afdaling waarbij de daling zo geleidelijk gaat en de bochten niet te scherp zijn dat je niet hoeft te trappen noch te remmen. In Ipoh verblijven we via Couchsurfing bij Iranees Amir die bevestigd dat Iraniërs een van de meest gastvrije mensen zijn op deze planeet. Hij trakteert ons onder andere op octopus en kikker. Daarna fietsen we verder richting het schiereiland Penang. De blog wordt geschreven vanuit een houten huis omringt met doerian- palm- papaya- ramboetan- en mangosteenbomen. Het is opgezet door en voor fietsers. Wij verblijven hier gratis in ruil voor wat klusjes. Martijn werkt in de tuin; Mariëlle doet het huishouden. 

De komende weken fietsen we verder naar het noorden. Binnen een paar dagen zijn we in Thailand. Van Thailand gaan we verder naar Myanmar. Dan gaan we naar het oosten, terug naar Thailand, misschien naar Cambodja en weer naar het noorden: Laos, Noord-Vietnam en China. 

Alvast een fijne kerst, gelukkig nieuwjaar en de groeten vanuit Balik Pulau. 

M&M

10056 km
Wie gaat er winnen?
Martijn en Mariëlle: 10056 km
Groningers: 0 km
We hebben al 396 kinderfietsen. Help ons de 500 te halen!
Doneer een fiets